ECLI:NL:RBARN:2004:AR3166
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtmatigheid staking bij sluiting dochteronderneming en toepassing vredesplichtclausule
De zaak betreft een geschil tussen Koninklijke Sphinx B.V. en Sphinx Technical Ceramics B.V. enerzijds en de vakbonden De Unie en FNV anderzijds over de rechtmatigheid van een staking.
Sphinx en STC waren voornemens STC te sluiten en onderhandelden met de vakbonden over een sociaal plan. De vakbonden riepen een staking uit nadat zij het eindbod van Sphinx niet accepteerden. Sphinx stelde dat de staking onrechtmatig was vanwege het ontbreken van een belangengeschil en de toepasselijkheid van een vredesplichtclausule in de CAO.
De rechtbank oordeelde dat het geschil over het sociaal plan een belangengeschil is zoals bedoeld in artikel 6 lid 4 van Pro het Europees Sociaal Handvest, waardoor het stakingsrecht van de vakbonden geldt. Tevens werd vastgesteld dat de vredesplichtclausule niet van toepassing was op STC vanwege een aanhangsel bij de CAO en dat de vakbonden gerechtigd waren gezamenlijk op te treden. De staking was volgens de rechtbank een proportioneel middel na meerdere onderhandelingen.
De vorderingen van Sphinx en STC werden afgewezen en zij werden veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van Sphinx en STC af en verklaart de staking rechtmatig.