ECLI:NL:RBARN:2004:AR4372

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
30 juli 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
112341 / FA RK 04-10939
Instantie
Rechtbank Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:207 BWArt. 6 lid 1 sub c Rijkswet op het NederlanderschapArt. 8 EVRMArt. 9 Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek gerechtelijke vaststelling vaderschap ondanks erkenning

De vrouw verzocht de rechtbank om gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man van hun minderjarige kind, met het oog op het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit voor het kind. De man had het kind reeds erkend, waardoor volgens de wet een juridische vader-kind relatie bestaat.

De rechtbank overwoog dat de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap bedoeld is als laatste mogelijkheid om een afstammingsband te creëren. In dit geval was die band al ontstaan door erkenning, waardoor het kind twee ouders heeft. Artikel 1:207 lid 2 sub a BW Pro verbiedt vaststelling van vaderschap als het kind al twee ouders heeft.

De vrouw voerde aan dat het belang van het kind en verblijfsrechtelijke aspecten een rol spelen, maar de rechtbank stelde dat de wetgever bewust onderscheid heeft gemaakt in de Rijkswet op het Nederlanderschap en dat deze belangen geen grond vormen om het verzoek toe te wijzen. Ook verdragsrechtelijke bepalingen werden niet als reden gezien om af te wijken van de wet.

Daarom wees de rechtbank het verzoek af, bevestigend dat de erkenning reeds de juridische situatie bepaalt en dat er geen reden is om deze te wijzigen.

Uitkomst: Het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap wordt afgewezen omdat het kind reeds twee ouders heeft door erkenning.

Uitspraak

Rechtbank Arnhem
Sector familierecht
Zaak/rekestnummer: 112341 / FA RK 04-10939
Datum uitspraak: 30 juli 2004
Beschikking
naar aanleiding van een verzoekschrift van:
X (nader te noemen: de vrouw),
wonende te Nijmegen,
verzoekster,
procureur mr. E.R.T. Tromp te Nijmegen,
gericht tegen
Y (nader te noemen: de man),
wonende te Nijmegen,
verweerder,
Belanghebbenden:
- Y (nader noemen: de man);
- Mr. L.H.C. van Sommeren, advocaat te Nijmegen, bijzonder curator over de minderjarige, het kind, geboren in 2001 te Nijmegen (hierna te noemen: de bijzonder curator);
- De Officier van Justitie;
De procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 6 april 2004;
- de brieven van de bijzonder curator, ingekomen op 28 april 2004 en 14 juni 2004;
gehoord ter zitting van deze rechtbank van 23 juni 2004:
- verzoekster, bijgestaan door haar procureur en de tolk;
- verweerder;
- R.A. Stegink, namens de officier van justitie.
De bijzonder curator heeft bij brief ingekomen op 14 juni 2004 medegedeeld dat zij bij haar advies, gedaan in haar brief ingekomen op 28 april 2004 blijft en derhalve afziet van haar recht om ter zitting te worden gehoord.
De feiten
De nationaliteit van de vrouw is onbekend volgens het uittreksel GBA.
De man heeft de Nederlandse nationaliteit.
Er is sprake van een traditioneel huwelijk in Somalië tussen de man en de vrouw. Dit huwelijk wordt in Nederland niet erkend. De man is sinds 1994 in Nederland en heeft in 1999 de Nederlandse nationaliteit verkregen
De vrouw is in 1999 in Somalië met de man gehuwd, buiten aanwezigheid van de man, zoals ter zitting is medegedeeld. Zij is in 2000 naar Nederland gekomen.
Uit de relatie tussen de vrouw en de man is geboren de minderjarige:
- het kind in 2001 te Nijmegen.
De man heeft het kind op 24 juni 2003 met toestemming van de vrouw erkend. Het kind heeft dezelfde geslachtsnaam als de man.
Blijkens een uittreksel uit het gezagsregister van deze rechtbank , sector Kanton d.d. 8 juli 2003 zijn de vrouw en de man gezamenlijk belast met het gezamenlijk gezag.
Het verzoek
Het verzoek van de vrouw strekt tot vaststelling van het vaderschap van de man van de eerder genoemde minderjarige.
Aan het verzoek legt zij ten grondslag dat de minderjarige hierdoor de Nederlandse nationaliteit zal kunnen verkrijgen.
De bijzonder curator heeft geadviseerd het verzoek toe te wijzen.
De beoordeling
Het verzoek is gelet op artikel 1:207 lid Pro 3 B.W. tijdig ingediend.
In artikel 1:207 lid 2 sub Pro a B.W. is bepaald dat gerechtelijke vaststelling van het vaderschap niet kan geschieden indien het kind twee ouders heeft.
De raadsvrouw van de vrouw stelt dat de achterliggende gedachte bij deze bepaling is dat door vaststelling van het vaderschap er geen “derde” ouder bijkomt. Omdat daar in het onderhavige geval geen sprake van is nu vaststelling van het vaderschap van de erkenner wordt verzocht, is zij mening dat toewijzing van het verzoek kan geschieden. Zij voert aan dat het verblijfsrechtelijk van groot belang is dat zowel de vrouw als het kind de Nederlandse nationaliteit krijgen en dat zulks voor het kind mogelijk is door gerechtelijke vaststelling van het vaderschap.
Ter toelichting heeft zij aangevoerd dat de man en de vrouw er van uitgingen dat door de erkenning het kind de Nederlandse nationaliteit zou krijgen, hetgeen onder De Rijkswet op het Nederlanderschap 1985 het geval zou zijn geweest. Omdat deze wet met ingang van 1 april 2003 is gewijzigd heeft erkenning voormeld nationaliteitsrechtelijk gevolg eerst nadat de erkenner het kind drie jaar heeft verzorgd en opgevoed. Dit is onder de nieuwe Rijkswet, artikel 6 lid 1 sub Pro c, slechts anders indien het kind vóór de geboorte is erkend.
De rechtbank overweegt als volgt:
De gerechtelijke vaststelling van het vaderschap is volgens de Memorie van Toelichting (TK 1995-1996, 24649, nr. 3) geïntroduceerd omdat het “gezien moet worden als een laatste mogelijkheid om tussen ouder en kind een afstammingsband te doen ontstaan”.
Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake, nu er door de erkenning reeds een afstammingsband tussen de man en het kind is ontstaan: de man is daardoor immers de juridische vader. Het kind heeft door de erkenning twee ouders. Op grond van het bepaalde in artikel 1:207 lid 2 onder Pro a B.W. moet het verzoek derhalve worden afgewezen.
Indien het onderhavige verzoek zou worden toegewezen, zou de rechtbank een reeds bestaande rechtssituatie bevestigen. Daarvoor is geen rechtens relevante grond. De door de vrouw aangevoerde grond dat daardoor het kind het Nederlanderschap zou verkrijgen doet daaraan niet af: de wetgever heeft bij de wijziging van De Rijkswet op het Nederlanderschap welbewust artikel 6 lid 1 sub c jo Pro lid 2 geintroduceerd en daarnaast onderscheid gemaakt met betrekking tot de rechtsgevolgen tussen een erkenning vóór de geboorte en daarna.
Voor zover de vrouw impliciet een beroep heeft willen doen op artikel 8 EVRM Pro en artikel 9 van Pro het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind door aan te voeren dat het belang van het kind is dat het in gezinsverband opgroeit en er intussen een tweede kind is geboren, dat vóór de geboorte door de man is erkend en derhalve wel de Nederlandse nationaliteit heeft, overweegt de rechtbank dat hier geen sprake is van schending dan wel beperking van het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven in de zin van genoemde artikelen, omdat de man en de vrouw in gezinsverband samenwonen op hetzelfde adres en er een familierechtelijke band tussen de man en het kind bestaat, terwijl hij (mede) het kind verzorgt en opvoedt.
Er is derhalve ook geen grond om met toepassing van genoemde verdragsrechtelijke bepalingen artikel 1:207 lid Pro 2 B.W. buiten toepassing te laten, nu dit artikel niet strijdig is met deze bepalingen. Immers de verblijfsmogelijkheden in Nederland van de moeder en het kind, die mogelijk tot een scheiding van de ouder(s) en het kind kunnen leiden, zijn een gevolg van de eerder genoemde nationaliteitsrechtelijke bepalingen.
Zoals uit het vorenstaande blijkt volgt de rechtbank het standpunt namens de Officier van Justitie ter zitting ingenomen, namelijk dat het verzoek van de vrouw in het belang van het kind kan worden toegewezen, niet.
Het verzoek van de vrouw zal op grond van het vorenstaande worden afgewezen.
De beslissing
De rechtbank
Wijst het verzoek van de vrouw af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. D.J. Willemsen (voorzitter), G.M. Roerink en C.N. Dijkstra tegenwoordigheid van R. van den Berg als griffier en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2004.
De griffier: De rechter:
Coll.:
Bij onstentenis van de voorzitter getekend door de oudste rechter: Mr.G.M. Roerink