ECLI:NL:RBARN:2004:AR4372
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- D.J. Willemsen
- G.M. Roerink
- C.N. Dijkstra
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek gerechtelijke vaststelling vaderschap ondanks erkenning
De vrouw verzocht de rechtbank om gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man van hun minderjarige kind, met het oog op het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit voor het kind. De man had het kind reeds erkend, waardoor volgens de wet een juridische vader-kind relatie bestaat.
De rechtbank overwoog dat de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap bedoeld is als laatste mogelijkheid om een afstammingsband te creëren. In dit geval was die band al ontstaan door erkenning, waardoor het kind twee ouders heeft. Artikel 1:207 lid 2 sub a BW Pro verbiedt vaststelling van vaderschap als het kind al twee ouders heeft.
De vrouw voerde aan dat het belang van het kind en verblijfsrechtelijke aspecten een rol spelen, maar de rechtbank stelde dat de wetgever bewust onderscheid heeft gemaakt in de Rijkswet op het Nederlanderschap en dat deze belangen geen grond vormen om het verzoek toe te wijzen. Ook verdragsrechtelijke bepalingen werden niet als reden gezien om af te wijken van de wet.
Daarom wees de rechtbank het verzoek af, bevestigend dat de erkenning reeds de juridische situatie bepaalt en dat er geen reden is om deze te wijzigen.
Uitkomst: Het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap wordt afgewezen omdat het kind reeds twee ouders heeft door erkenning.