ECLI:NL:RBARN:2005:AT2846
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid derde in executiegeschil wegens ontbreken dagvaarding geëxecuteerde
In deze zaak vordert eiser, eigenaar van een voertuig, de opheffing van executoriaal beslag dat door de vereniging is gelegd op zijn auto, en schadevergoeding wegens onrechtmatig beslag. Het voertuig was in beslag genomen ten laste van zijn zwager, de schuldenaar, op grond van een vonnis waarbij de zwager werd veroordeeld tot betaling aan de vereniging.
Eiser stelt eigenaar te zijn van het voertuig en dat de vereniging geen vordering op hem heeft, waardoor het beslag onrechtmatig zou zijn. Hij vordert onder meer opheffing van het beslag, afgifte van het voertuig, en vergoeding van schade en kosten.
De rechtbank stelt vast dat eiser in de oorspronkelijke executieprocedure geen partij was en derhalve als derde moet worden aangemerkt volgens artikel 438 lid 5 Rv Pro. Dit artikel vereist dat een derde die zich tegen executie verzet zowel de executant als de geëxecuteerde moet dagvaarden. Nu eiser heeft nagelaten de geëxecuteerde, zijn zwager, mede te dagvaarden, is niet voldaan aan deze dwingende procesvereiste.
Daarom verklaart de rechtbank eiser niet-ontvankelijk in zijn vordering en wijst de inhoudelijke behandeling af. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak bevestigt het belang van strikte naleving van procesvoorschriften in executiegeschillen om rechtszekerheid te waarborgen.
Uitkomst: Eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet dagvaarden van de geëxecuteerde en veroordeeld in de proceskosten.