ECLI:NL:RBARN:2005:AT6023
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-naleving levering biologische sojabonen en discussie over schadevergoeding
In oktober 1998 sloten De Bron en GFI een koopovereenkomst voor 3000 ton biologische sojabonen. GFI leverde echter niet-biologische (non-GMO) sojabonen, wat niet voldeed aan de overeenkomst en het conformiteitsvereiste van artikel 7:17 BW Pro. De Bron stelde GFI aansprakelijk voor de geleden en nog te lijden schade, waaronder extra kosten.
GFI voerde aan dat zij alle mogelijke controles had uitgevoerd en dat zij niet aansprakelijk was wegens overmacht. De rechtbank oordeelde dat het risico van non-conformiteit bij GFI ligt, ook al was zij niet bekend met het gebrek. Tevens werd meegewogen dat GFI een professionele partij is en dat zij alarmerende berichten over haar leverancier niet tijdig aan De Bron heeft doorgegeven.
Er was een regeling getroffen begin november 1998 waarbij GFI het prijsverschil betaalde, maar De Bron stelde dat zij ook recht heeft op vergoeding van overige extra kosten. De rechtbank vond dat uit de correspondentie bleek dat partijen kennelijk de bedoeling hadden dat na deze regeling geen extra kosten meer zouden worden gevorderd. De Bron mocht echter tegenbewijs leveren dat dit niet het geval was.
De rechtbank verwees de zaak naar een rolzitting om De Bron de mogelijkheid te geven getuigen te horen ter onderbouwing van haar standpunt. Verder werd bepaald dat partijen aanwezig moeten zijn bij getuigenverhoren en dat hoger beroep alleen mogelijk is samen met het eindvonnis.
De rechtbank wees het beroep van GFI op haar algemene voorwaarden af omdat deze niet tijdig ter hand waren gesteld aan De Bron en dus vernietigbaar zijn. De zaak werd aangehouden voor nadere bewijslevering en verdere beslissing.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat GFI tekort is geschoten en staat De Bron toe tegenbewijs te leveren over extra kosten, waarna verdere beslissing volgt.