ECLI:NL:RBARN:2005:AT9613

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
15 juli 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 05/1876
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • W.F. Bijloo
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:75 AwbArt. 6:7 AwbArt. 19 WRO
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening bouwvergunning geweigerd wegens niet tijdig beroep

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen de bouwvergunning die door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wageningen is verleend voor de uitbreiding van een fabriek voor mengvoeders. De voorzieningenrechter is gevraagd een voorlopige voorziening te treffen om de bouwvergunning te schorsen.

De rechtbank oordeelt dat de voorlopige voorziening niet kan worden verleend omdat verzoekster geen beroep heeft ingesteld binnen de daarvoor gestelde termijn na het besluit op bezwaar. Het spoedeisende karakter van de voorlopige voorziening vereist dat beroep onverwijld wordt ingesteld, hetgeen niet is gebeurd.

Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. Verzoekster wordt erop gewezen dat zij alsnog beroep kan instellen en daarna een nieuw verzoek om voorlopige voorziening kan indienen binnen de wettelijke termijnen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig instellen van beroep.

Uitspraak

Rechtbank Arnhem
Sector bestuursrecht
Registratienummer: AWB 05/1876
Uitspraak
van de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Awb in het geding tussen:
[verzoekster],
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wageningen,
verweerder,
alsmede
[belanghebbende], te [vestigingsplaats] , partij ex artikel 8:26 van Pro de Awb.
1. Procesverloop
Bij besluit van 1 februari 2005 heeft verweerder, onder gelijktijdige verlening van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), aan [belanghebbende], (verder: [belanghebbende]) een bouwvergunning verleend ten behoeve van de uitbreiding van een fabriek voor mengvoeders op het perceel [adres] te [vestigingsplaats].
Tegen dit besluit heeft verzoekster tijdig bezwaar gemaakt. Tevens is de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, strekkende tot schorsing van de verleende bouwvergunning.
2. Overwegingen
Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaande aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Gebleken is dat verweerder inmiddels bij besluit van 7 juni 2005 op de bezwaren van verzoekster heeft beslist. Derhalve is de mogelijkheid om hangende het bezwaar een voorlopige voorziening te treffen niet langer aanwezig.
Bij brief van 13 juni 2005 is verzoekster overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb in de gelegenheid gesteld om tegen het besluit op bezwaar beroep in te stellen bij de rechtbank. Daarbij is verzoekster verzocht om binnen één week na verzending van deze brief te reageren.
Verzoekster heeft tot op heden geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om beroep in te stellen. Gelet hierop moet worden geconcludeerd dat niet (meer) wordt voldaan aan het in artikel 8:81 van Pro de Awb neergelegde connexiteitsvereiste. Daaraan doet niet af dat de beroepstermijn van zes weken thans nog niet volledig is verstreken. Het (spoedeisende) karakter van de voorlopige voorzieningenprocedure brengt mee dat van de verzoekende partij kan worden verlangd dat zij
-indien zij zich met de beslissing op bezwaar niet kan verenigen- onverwijld tot het indienen van een beroepschrift overgaat.
Gelet op het vorenstaande wordt het verzoek om voorlopige voorzienig niet-ontvankelijk verklaard.
Ten overvloede benadrukt de voorzieningenrechter dat het verzoekster vrij staat om een nieuw verzoek om voorlopige voorziening in te dienen, mits zij alsnog beroep instelt. Daarbij wijst de voorzieningenrechter verzoekster op de in artikel 6:7 van Pro de Awb neergelegde beroepstermijn.
De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Awb.
Beslist wordt als volgt.
3. Beslissing
De voorzieningenrechter
verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Aldus gegeven door mr. W.F. Bijloo, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.A. van Hoof, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2005.
De griffier, De voorzieningenrechter,
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Verzonden op: