ECLI:NL:RBARN:2005:AU2333

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
20 juli 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
118952
Instantie
Rechtbank Arnhem
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 164 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens onvoldoende bewijs in verkeersincident met vrachtwagencombinatie

In deze civiele zaak vordert eiser schadevergoeding van Delta Lloyd Schadeverzekering N.V. naar aanleiding van een verkeersincident waarbij eiser betrokken was met een vrachtwagencombinatie. De rechtbank heeft beoordeeld of eiser kon aantonen dat hij zich al op de rotonde bevond op het moment dat de vrachtwagencombinatie de rotonde opreed.

Eiser heeft zich als partijgetuige gehoord, maar zijn verklaring is onderworpen aan de beperking van artikel 164 lid 2 Rv Pro, waardoor deze verklaring alleen bewijs kan opleveren indien er aanvullend en sterk bewijs is. Naast de verklaring van eiser is alleen een schriftelijke verklaring van een betrokkene overgelegd, die niet als getuige is gehoord. Deze verklaring werd onvoldoende betrouwbaar geacht, mede omdat eiser bij de totstandkoming betrokken was en de betrokkene niet als getuige is opgeroepen.

De rechtbank concludeert dat eiser niet in zijn bewijs is geslaagd en dat niet is komen vast te staan dat de vrachtwagencombinatie de rotonde pas opreed toen eiser zich daar al bevond. Hierdoor kan niet worden geconcludeerd dat de vrachtwagenbestuurder onrechtmatig heeft gehandeld. De vordering wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering af wegens onvoldoende aanvullend bewijs en veroordeelt eiser in de proceskosten.

Uitspraak

Rechtbank Arnhem
Sector civiel recht
Zaak-/rolnummer: 118952 / HA ZA 04-1893
Datum vonnis: 20 juli 2005
Vonnis
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
eiser,
procureur mr. C.W. Langereis,
tegen
de naamloze vennootschap
DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde,
procureur mr. F.J. Boom,
advocaat mr. W.H. Bouman te Amsterdam.
Partijen zullen hierna [eiser] en Delta Lloyd worden genoemd.
Het verloop van de procedure
Dit verloop blijkt uit:
- het tussenvonnis van 23 maart 2005
- de akte na niet gehouden getuigenverhoor aan de zijde van [eiser]
Ten slotte is vonnis bepaald.
De verdere beoordeling
Bij het tussenvonnis is [eiser] te bewijzen opgedragen feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat [eiser] zich al op de rotonde bevond op het moment dat de vrachtwagencombinatie de rotonde opreed. Aansluitend aan de comparitie was [eiser] zelf al als getuige gehoord. Na het tussenvonnis heeft hij afgezien van het verder doen horen van getuigen.
2.2 Er is dus alleen de getuigenverklaring van [eiser], wiens verklaring als partijgetuige is onderworpen aan de beperking van art. 164 lid 2 Rv Pro. Daarin is bepaald dat zijn verklaring geen bewijs in zijn voordeel kan opleveren tenzij die strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Daarvan is alleen sprake indien er aanvullende bewijzen zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de voorhanden partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken. Die zijn er hier niet. Er is alleen een schriftelijke verklaring van [betrokkene 1], die niet als getuige is voorgebracht. Die schriftelijke verklaring is onvoldoende. Ten eerste is er een bedenking tegen de wijze van totstandkoming daarvan. Uit de verklaring van [eiser] bij de comparitie volgt dat hij de verklaring van [betrokkene 1] in concept heeft gezien en toen aanwijzingen heeft gegeven. Volgens [eiser] bestond dat alleen uit aanwijzing van taal- en spellingsfouten en heeft [betrokkene 1] de verklaring overigens zelfstandig opgesteld. Toch maakt het feit dat [eiser] zelf op enigerlei wijze bij de totstandkoming van de inhoud (waaronder in dit verband ook taal en spellingsfouten zijn te begrijpen) betrokken is geweest in combinatie met het feit dat [betrokkene 1] vervolgens niet als getuige is voorgebracht de verklaring onvoldoende betrouwbaar (vgl. HR 19 december 2003 NJ 2004,151). Daarbij komt dat het in een geval als dit ten zeerste aankomt op wat precies vanaf welke plaats feitelijk is waargenomen. Dat maakt nodig dat een getuige daarover wordt ondervraagd in aanwezigheid van beide partijen om een goed beeld te kunnen krijgen van het voorgevallene en/of de betrouwbaarheid van de verklaring. Vanuit het perspectief van dit een en ander biedt de enkele schriftelijke verklaring van [betrokkene 1] onvoldoende aanvullend bewijs, terwijl dat evenmin in andere schriftelijke bewijsmiddelen te vinden is. [eiser] is dus niet in het bewijs geslaagd. Dat betekent dat niet is komen vast te staan dat de vrachtauto de rotonde pas is opgereden toen [eiser] zich reeds daarop bevond. Zonderdien kan niet worden geconcludeerd dat de bestuurder van de vrachtauto onrechtmatig heeft gehandeld. De vordering moet dus worden afgewezen.
[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Delta Lloyd worden begroot op:
- explootkosten € 0,00
- vast recht 288,00
- getuigenkosten 0,00
- deskundigen 0,00
- overige kosten 0,00
- salaris procureur 768,00 (2.0 punt × tarief € 384,00)
Totaal € 1.056,00
De beslissing
De rechtbank
wijst de vorderingen af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Delta Lloyd tot op heden begroot op € 1.056,00,
verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2005.
De griffier: De rechter: