ECLI:NL:RBARN:2005:AU9347
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling nagekomen bate en pandrecht in schuldsaneringsregeling betreffende levensverzekeringspolissen
De rechtbank Arnhem behandelde een zaak betreffende de afwikkeling van een schuldsaneringsregeling waarbij na afloop bleek dat er twee levensverzekeringspolissen met aanzienlijke afkoopwaarde niet eerder bekend waren bij de bewindvoerder. De Rabobank stelde dat zij pandrechten op deze polissen had, maar de rechtbank oordeelde dat zij niet bevoegd was om over de geldigheid van deze verpanding te beslissen.
De polissen betroffen rechten op toekomstige uitkeringen bij het bereiken van 65 jaar of eerder overlijden, die volgens de rechtbank niet als vorderingen in de zin van de pandakte konden worden aangemerkt. Bovendien stond op de polissen vermeld dat deze niet konden worden beleend of als zekerheid konden dienen, hetgeen de vraag opriep over de geldigheid van het pandrecht.
De rechter-commissaris had toestemming gegeven voor afkoop van de polissen, ondanks dat de bewindvoerder niet bekend was met deze polissen tijdens de regeling. De rechtbank benadrukte dat de toestemming van de rechter-commissaris noodzakelijk is om afkoop mogelijk te maken zonder onredelijke benadeling van de verzekeringnemer, zoals bepaald in artikel 295a Fw.
De rechtbank besloot dat de polissen vereffend en verdeeld kunnen worden volgens de uitdelingslijst van de schuldsaneringsregeling, mits de Rabobank geen pandrecht uitoefent of afziet van haar rechten. Hiermee werd de procedure voortgezet zonder definitieve uitspraak over de pandrechten.
Uitkomst: De rechtbank beveelt vereffening van de polissen onder voorwaarde dat de Rabobank geen pandrecht uitoefent of afziet van haar rechten.