ECLI:NL:RBARN:2005:AU9884
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Nietigheid vordering wegens schending non-concurrentiebeding en privé-onttrekkingen afgewezen
De vennootschap, exploitant van een groothandel in elektrotechnisch materiaal, vorderde een verklaring voor recht dat haar voormalig mede-aandeelhouder en bestuurder het non-concurrentiebeding had geschonden door klanten te benaderen en concurrentie te drijven. Tevens vorderde zij betaling van schade wegens privé-onttrekkingen uit de vennootschap.
De rechtbank stelde vast dat het non-concurrentiebeding schriftelijk was overeengekomen met een looptijd van drie jaar, maar dat de vennootschap onvoldoende concrete bewijsstukken had overgelegd van het benaderen van klanten door de voormalig bestuurder. De enkele activiteiten op het werkterrein waren onvoldoende om schending aan te tonen.
Ten aanzien van de privé-onttrekkingen oordeelde de rechtbank dat de vennootschap stilzwijgende toestemming had gegeven voor deze onttrekkingen, gelet op de taakverdeling binnen het bestuur en het feit dat de administratie door de voormalig bestuurder werd gevoerd. Hierdoor kon hem geen ernstig verwijt worden gemaakt.
De vorderingen werden afgewezen en de vennootschap werd veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak benadrukt het belang van voldoende bewijs bij schending van concurrentiebedingen en de context van bestuurstaken bij aansprakelijkheid voor onttrekkingen.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen af wegens onvoldoende bewijs van schending non-concurrentiebeding en stilzwijgende toestemming voor privé-onttrekkingen.