ECLI:NL:RBARN:2005:BL7584

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
28 september 2005
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 05/1079
Instantie
Rechtbank Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.M. Bijker - Veen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wet BPMArt. 17a Wet BPMArt. 8:67 AwbArt. 8:75 AwbArt. 27d AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Plaatsing van verwijderbare stoelen op laadvloer verandert bestelauto niet in personenauto

Eiser was houder van een Mercedes-Benz bestelauto met grijs kenteken en betaalde BPM volgens het bestelautotarief. Verweerder legde een naheffingsaanslag op omdat twee stoelen op de laadvloer waren geplaatst, waardoor volgens hem niet langer sprake was van een vlakke laadvloer zoals vereist voor een bestelauto.

De rechtbank onderzocht of de plaatsing van de stoelen, bevestigd met een clicksysteem verzonken in de laadvloer, de kwalificatie als bestelauto beïnvloedde. Hierbij werd onder meer gekeken naar een eerdere uitspraak van de Hoge Raad waarin een vergelijkbare situatie met een kinderzitje werd beoordeeld.

De rechtbank concludeerde dat de stoelen eenvoudig te verwijderen waren en daardoor de laadvloer als vlak kon worden beschouwd. Het feit dat de stoelen aanwezig waren en geschikt waren voor personenvervoer deed hieraan niet af. De naheffingsaanslag werd daarom vernietigd en het beroep van eiser gegrond verklaard.

Daarnaast werd de Staat der Nederlanden gelast het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden. De uitspraak bevestigt dat de aanwezigheid van verwijderbare stoelen in de laadruimte niet automatisch leidt tot een ander belastingtarief.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de naheffingsaanslag BPM omdat de verwijderbare stoelen de laadvloer niet onvlak maken en het bestelautotarief van toepassing blijft.

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM
Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer
Registratienummer: AWB 05/1079
Uitspraakdatum: 28 september 2005
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen
[X],
wonende te [Z], eiser,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, Douane Noord/kantoor Groningen
verweerder, gemachtigde: [gemachtigde].
Betreft:
De uitspraak van verweerder van 23 maart 2005 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser opgelegde naheffingsaanslag in de Belasting van Personenauto’s en Motorrijwielen (BPM), nummer [000], ten bedrage van € 2.566.
Onderzoek ter zitting:
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2005.
Partijen zijn daar verschenen.
1. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de onderhavige beschikking;
- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 37,- vergoedt.
2. De feiten
Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:
Eiser is over de periode van 26 maart 2004 tot en met 10 november 2004 houder geweest van een auto, merk Mercedes-Benz, met kenteken [00-AA-BB]. Dit is een zogenoemd grijskenteken. Eiser heeft BPM voldaan naar het bestelautotarief.
Op 26 oktober 2004, omstreeks 17.40 uur, is het voertuig van eiser gecontroleerd door ambtenaren van de Belastingdienst Douane/Noord op de [A-straat 1] te [Q].
Deze ambtenaren constateerden dat op de laadvloer van de auto twee stoelen waren geplaatst Deze stoelen waren bevestigd middels een fabrieksmatig aangebracht, in de vloer verzonken, bevestigingssysteem (een clicksysteem).
Verweerder heeft op 8 november 2004 aan eiser een naheffingsaanslag BPM opgelegd omdat de auto van eiser, door de plaatsing van twee stoelen op de vlakke laadvloer, niet voldeed aan de eisen die in artikel 3 van Pro de Wet BPM gesteld worden voor het rijden met een zogenoemd grijs kenteken.
Zonder aanwezigheid van de twee stoelen is sprake van een vlakke laadvloer en voldoet de auto van eiser, ook voor het overige, aan de eisen die de Wet BPM stelt aan een bestelauto.
3. Het geschil
In geschil is of het plaatsen van twee stoelen op de laadvloer van de auto, waarvoor gebruik is gemaakt van een zogenoemd kliksysteem, ertoe leidt dat geen sprake is van een vlakke laadvloer als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Wet BPM.
Eiser is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Verweerder is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.
4. Beoordeling van het geschil
Met ingang van 1 januari 1994 luidt artikel 3, eerste lid, van de Wet BPM, voor zover hier van belang:
‘Onder personenauto wordt in deze wet en in de daarop gebaseerde regelingen verstaan een motorrijtuig op drie of meer wielen, zulks met uitzondering van:
(...)
b. bestelauto’s; (...)’.
Artikel 3, derde lid, van de Wet BPM luidt met ingang van die datum, voor zover hier van belang:
‘Onder bestelauto wordt verstaan een motorrijtuig met een laadruimte die in haar geheel is voorzien van een vlakke laadvloer (...).’.
Vóór de wijziging van de Wet BPM bij de Wet van 16 september 1993, Stb. 673, was in artikel 3, eerste lid, van de Wet BPM – voor zover hier van belang - bepaald:
‘In deze wet en in de daarop gebaseerde regelingen wordt onder personenauto verstaan een motorrijtuig op drie of meer wielen, ingericht voor personenvervoer’.
In het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 16 september 1993, Stb. 673, is onder andere voorgesteld om aan artikel 3 van Pro de Wet BPM zoals die thans luidt nog een artikellid toe te voegen, luidende:
‘ Ingeval in een bestelauto een of meer personen worden vervoerd in de laadruimte, is de belasting verschuldigd ter zake van de aanvang van het gebruik met dat motorrijtuig in Nederland van de weg in de zin van de Wegenverkeerswet ten behoeve van dat vervoer, als ware de bestelauto een personenauto.’
Dit voorstel is door de Tweede Kamer niet aanvaard.
Wel is toen artikel 17a Wet BPM ingelast, op basis waarvan de inspecteur een boete kan opleggen aan degene die de bestelauto feitelijk ter beschikking heeft terwijl hij of zij een of meer personen in de laadruimte vervoert.
De Hoge Raad heeft op 24 augustus 1999 (nr. 34 650, BNB 1999/385) geoordeeld over de vraag of de plaatsing van een kinderzitje in een houten bak op de laadvloer, meebrengt dat het motorrijtuig niet in haar geheel was voorzien van een vlakke laadvloer. Hof Den Bosch had in die zaak uitdrukkelijk overwogen dat, gelet op de hiervoor aangehaalde wetsgeschiedenis, de vraag of de auto door plaatsing van het kinderzitje voor personenvervoer is ingericht, niet van belang is. De Hoge Raad bevestigt de juistheid van dit oordeel en overweegt verder:
‘ (...) Het Hof heeft voorts geoordeeld: dat de plaatsing van het kinderzitje op de hiervoor in 3.1 vermelde wijze niet meebrengt dat geen sprake meer was van een vlakke laadvloer; dat het uit de wijze van bevestiging aan de auto, met twee schroefbouten, afleidt dat het kinderzitje op eenvoudige wijze, door middel van het losdraaien van de schroefbouten, weer kon worden verwijderd; dat derhalve niet kan worden gezegd dat door de plaatsing van het kinderzitje de laadruimte niet meer uitsluitend laadruimte was; dat derhalve het gelijk aan de zijde van belanghebbende is.
Tegen deze oordelen komt het middel op.
3.5. Het middel faalt. Anders dan waarvan het middel uitgaat, brengt de omstandigheid dat een deel van de laadvloer in beslag wordt genomen door een in de laadruimte geplaatste houten bak welke door middel van twee schroefbouten is bevestigd aan de opstaande rand van de laadvloer, achter de stoelen, en waarin een kinderzitje is bevestigd, niet mee dat de laadruimte van het motorrijtuig niet in haar geheel is voorzien van een vlakke laadvloer.’
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op vorenstaande uitspraak van de Hoge Raad, ook in het onderhavige geval sprake is van een vlakke laadvloer. Niet van belang is dat de auto, als gevolg van de plaatsing van de twee stoelen in de laadruimte, geschikt was voor personenvervoer. Ook de omstandigheid dat de laadvloer in beslag wordt genomen door twee stoelen brengt niet mee dat de laadruimte van de auto niet in haar geheel is voorzien van een vlakke laadvloer. Wel van belang is of de twee stoelen op eenvoudige wijze konden worden verwijderd. Doordat de twee stoelen bevestigd waren middels het zogenoemde clicksysteem dat verzonken zat in de laadvloer konden deze op eenvoudige wijze worden verwijderd, zodat sprake is van een vlakke laadvloer.
Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond.
5. Proceskosten
De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Awb.
Deze uitspraak is vastgesteld door mr. M.M. Bijker - Veen. De beslissing is op 28 september 2005 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van M.J. Eggink, griffier.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend
verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:
- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem
; dan wel
- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.
N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.
Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.
Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een schriftelijke verklaring van de wederpartij gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank;
2 - tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal de rechtbank deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.