Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBARN:2006:AV8554

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
1 februari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
134045
Instantie
Rechtbank Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 2 sub a FwArt. 285 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing nieuw verzoek schuldsaneringsregeling na eerdere schone lei wegens onvoldoende bijzondere omstandigheden

Verzoekers hebben op 22 november 2005 een nieuw verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling nadat zij eerder op 31 oktober 2003 een schuldsaneringsregeling met een schone lei hadden afgerond.

De rechtbank constateert dat zowel tijdens als na de vorige regeling nieuwe schulden zijn ontstaan, maar dat onvoldoende controleerbaar is wie hiervoor verantwoordelijk is. De budgetbeheerder die verantwoordelijk zou zijn voor schulden tijdens de vorige regeling is niet civielrechtelijk aansprakelijk gesteld en ook voor de na de regeling ontstane schulden is geen duidelijkheid over aansprakelijkheid.

Gezien het feit dat de schuldsaneringsregeling een schaars en kostbaar middel is en veel mensen met problematische schulden wachten op hun eerste kans, acht de rechtbank de persoonlijke omstandigheden van verzoekers onvoldoende zwaarwegend om een nieuwe regeling toe te kennen.

Daarom wijst de rechtbank het verzoek af en benadrukt dat terughoudendheid geboden is bij het toekennen van een tweede kans binnen tien jaar na een eerdere schone lei.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende bijzondere omstandigheden.

Uitspraak

afwijzing toepassing schuldsanering
rekestnummers: 134045/FT-RK 05.1831 en 134046/FT-RK 05/1832 / es
nummers verklaringen: EDE0210501642 en EDE0210501685
uitspraakdatum: 20 februari 2006
Rechtbank Arnhem,
ENKELVOUDIGE KAMER
[verzoeker 1] en [verzoeker 2], beiden wonende te [adres],
verzoekers,
hebben op 22 november 2005 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Verzoekers zijn gehoord ter terechtzitting van 13 februari 2006.
De verzoekschriften voldoen aan de daaraan gestelde eisen. Verzoekers verkeren in de toestand dat zij hebben opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat zij niet zullen kunnen voortgaan met betaling van hun schulden.
Van een grond voor afwijzing van het verzoek is wel gebleken.
Op verzoekers is al eerder een schuldsaneringsregeling van toepassing geweest, welke op 31 oktober 2003 is afgerond met een schone lei.
Zowel tijdens als na de vorige schuldsaneringsregeling zijn nieuwe schulden ontstaan. Verzoekers voeren aan dat voor beide categorieën schulden geldt dat dit geheel aan anderen te wijten is. Dit is voor deze rechtbank onvoldoende controleerbaar. Ten aanzien van de schulden, die tijdens de vorige schuldsaneringsregeling zijn ontstaan, geldt dat het dossier daarover uiteenlopende informatie bevat. De budgetbeheerder, die verantwoordelijk zou zijn voor deze schulden, is niet civielrechtelijk aansprakelijk gesteld. Dat anderen verantwoordelijk zouden zijn voor de na de schuldsaneringsregeling ontstane schulden kan evenmin worden vastgesteld.
Van zodanig bijzondere omstandigheden dat, ondanks de afwijzingsgrond van artikel 288 lid 2 sub a Fw Pro., toch een nieuwe schuldsaneringsregeling uitgesproken zou moeten worden, is op bovengenoemde gronden niet gebleken.
Ook de persoonlijke omstandigheden zijn onvoldoende zwaarwegend om een nieuwe schuldsaneringsregeling uit te spreken.
Daarbij is betrokken dat een wettelijke schuldsaneringsregeling als een schaars en kostbaar middel beschouwd kan worden. Mensen met (onoverkomelijke) schulden moeten lang wachten, voordat ze voor het zogeheten minnelijk traject in aanmerking komen. Het aantal mensen met problematische schulden groeit - zeker de laatste jaren – immers snel. Als dat minnelijk traject niet slaagt (of wegens gebrek aan uitzicht op succes niet wordt doorlopen) moet vaak geruime tijd gewacht worden voordat een zogeheten “artikel 285”-verklaring wordt afgegeven. Ten slotte dient enige weken gewacht te worden tot dat de rechtbank verzoeker kan horen. In deze situatie dient terughoudend gebruik gemaakt te worden van de mogelijkheid om mensen met schulden binnen tien jaar een tweede kans op een “schone lei” te geven; talloze anderen moeten nog wachten op hun eerste kans.
De verzoeken tot toepassing van de schuldsaneringsregeling dienen derhalve te worden afgewezen.
BESLISSING
De rechtbank:
- wijst de verzoeken af.
Gewezen door mr. R.A. Boon, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 februari 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.