ECLI:NL:RBARN:2006:AW2086
Rechtbank Arnhem
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Geen berusting in vonnissen rechtbank Arnhem over verdeling woning en hoger beroep
Partijen zijn in 1972 gehuwd in algehele gemeenschap van goederen en hebben samen de woning aan een adres te een woonplaats gekocht. Na echtscheiding in 1991 is de woning nog niet verdeeld en valt deze nog in de onverdeelde boedel. De rechtbank Arnhem heeft in vonnissen van 5 januari, 22 juni en 12 oktober 2005 de wijze van verdeling van de woning en hypotheek vastgesteld, waarbij de man de woning krijgt toegewezen en wordt vastgesteld dat hij overbedeeld is.
Gedaagde heeft hoger beroep ingesteld tegen deze vonnissen. Eiser vordert in kort geding dat gedaagde wordt veroordeeld tot medewerking aan de uitvoering van het vonnis van 12 oktober 2005, stellende dat gedaagde door het laten taxeren van de woning berust heeft in de vonnissen en dus niet ontvankelijk is in hoger beroep op grond van artikel 334 Rv Pro.
De voorzieningenrechter overweegt dat berusting alleen aan de orde is indien ondubbelzinnig blijkt dat de partij zich neerlegt bij het vonnis en afstand doet van het recht op rechtsmiddel. Het enkele laten taxeren van de woning zonder schriftelijk voorbehoud is onvoldoende om van berusting te spreken. Er is geen bewijs dat gedaagde zich neerlegt bij de vonnissen. Integendeel, gedaagde heeft tijdig hoger beroep ingesteld en de peildatum voor de taxatie is betwist.
Daarom is het niet aannemelijk dat het gerechtshof zal oordelen dat gedaagde berust heeft. De vordering van eiser wordt afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd, ieder draagt zijn eigen kosten.
Uitkomst: De vordering van eiser tot medewerking aan uitvoering vonnis wordt afgewezen omdat geen berusting is vastgesteld.