ECLI:NL:RBARN:2006:AY4972
Rechtbank Arnhem
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Voorzieningenrechter beveelt voorrang plaatsing tbs-passant in kliniek wegens bijzondere omstandigheden
Eiser verblijft sinds juni 2004 als tbs-passant in een penitentiaire inrichting en vordert dat de Staat hem met voorrang plaatst in een tbs-kliniek of hem anders in vrijheid stelt. De lange wachtlijst in de tbs-sector leidt tot een passantentermijn van ruim zes maanden, wat volgens het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) strijdig is met artikel 5 EVRM Pro. Eiser beroept zich op bijzondere omstandigheden, waaronder zijn volledige ontoerekeningsvatbaarheid en het ontbreken van een gevangenisstraf, waardoor detentie in een penitentiaire inrichting niet passend is.
De Staat voert verweer dat eiser afstand heeft gedaan van rechten met betrekking tot de passantentermijn via een vaststellingsovereenkomst en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die voorrang rechtvaardigen. De voorzieningenrechter oordeelt dat de vaststellingsovereenkomst geldig is en de lange duur van de passantentermijn geen bijzondere omstandigheid vormt. Wel erkent de rechter dat eiser vanwege zijn ontoerekeningsvatbaarheid en het gevaar van zelfverminking een bijzondere positie inneemt die voorrang op plaatsing rechtvaardigt.
De voorzieningenrechter beveelt de Staat om eiser binnen twee maanden na betekening van het vonnis in een tbs-kliniek te plaatsen, waarbij rekening wordt gehouden met de beoordeling door de commissie EVBG over de mate van gevaarlijkheid. Een dwangsom wordt niet opgelegd en invrijheidstelling wordt afgewezen omdat de vrijheidsbeneming niet onrechtmatig is. De Staat wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser.
Uitkomst: De Staat wordt veroordeeld om eiser binnen twee maanden in een tbs-kliniek te plaatsen met voorrang boven andere passanten.