Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBARN:2006:AZ4008

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
5 oktober 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
145161
Instantie
Rechtbank Arnhem
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 438 lid 5 RvArt. 453a lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid derde in executiegeschil wegens ontbreken dagvaarding geëxecuteerde

In deze zaak vordert eiser, handelend onder een handelsnaam, de gemeente Nijmegen te veroordelen tot afgifte van een auto waarop executoriaal beslag is gelegd, dan wel te verbieden de auto te verkopen zolang het eigendom niet in rechte is vastgesteld. De auto was in beslag genomen ten behoeve van een vordering op een derde, betrokkene, die de auto onttrok aan beslag en aan eiser verkocht.

De rechtbank stelt vast dat eiser zich als derde tegen de executie verzet en dat op grond van artikel 438, vijfde lid, Rv, een derde die zich tegen een executie wil verzetten zowel de executant als de geëxecuteerde moet dagvaarden. Eiser heeft nagelaten betrokkene als geëxecuteerde te dagvaarden.

Hierdoor wordt eiser niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen. De rechtbank gaat niet inhoudelijk in op de vorderingen en veroordeelt eiser in de proceskosten.

Uitkomst: Eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet dagvaarden van de geëxecuteerde en veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK ARNHEM
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 145161 / KG ZA 06-565
Vonnis in kort geding van 5 oktober 2006
in de zaak van
[eiser],
h.o.d.n. “[bedrijfsnaam]”,
wonende te [woonplaats],
eiser,
procureur mr. E.C.N. Amory,
advocaat mr. R.A. Leukel te Weert,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
DE GEMEENTE NIJMEGEN,
gevestigd te Nijmegen,
gedaagde,
vertegenwoordigd door mr. V.Y. Andree .
Partijen zullen hierna [eiser] en de gemeente genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de mondelinge behandeling
- de pleitnota van [eiser]
- de pleitnota van de Gemeente Nijmegen.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1. Tot zekerheid van verhaal van een vordering op [betrokkene] heeft de gemeente, na verkregen toestemming van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, op maandag 14 augustus 2006 om 8.20 uur executoriaal beslag laten leggen op de aan [betrokkene] in eigendom toebehorende Audi A4 met het kenteken [kenteken] (hierna: de auto).
2.2. Nadat aan [betrokkene] was medegedeeld dat de auto in beslag was genomen en de beslagbeschikking door de deurwaarder aan hem was betekend, is [betrokkene] in de auto gestapt en daarmee weggereden. Diezelfde ochtend heeft [betrokkene] de auto verkocht en geleverd aan autohandelaar [eiser].
2.3. Op 15 augustus 2006 heeft de politie te Nijmegen [eiser] bericht dat de auto door [betrokkene] was onttrokken aan het door de gemeente gelegde beslag en dat hij de auto diende in te leveren bij de politie in het kader van het strafrechtelijk onderzoek. [eiser] heeft de auto op 16 augustus 2006 aan de politie afgegeven. De auto is vervolgens door de politie ter beschikking gesteld aan de deurwaarder.
2.4. Bij brief van 22 augustus 2006 aan de deurwaarder heeft [eiser] om afgifte van de auto aan hem verzocht. Hiertoe bleek de deurwaarder niet bereid.
3. Het geschil
3.1. [eiser] vordert samengevat – primair de gemeente op straffe van een dwangsom te veroordelen tot afgifte van de auto en tot onmiddellijke opheffing van het beslag. Subsidiair vordert [eiser] – samengevat – de gemeente op straffe van een dwangsom te verbieden de auto te verkopen, zolang niet in rechte vaststaat wie de eigenaar van de auto is. Daartoe beroept [eiser] zich op artikel 453a, tweede lid, Rv en stelt hij dat hij te goeder trouw en anders dan om niet eigenaar is geworden van de auto en dat hij zijn eigendomsrecht tegen de beslaglegger kan inroepen.
3.2. De gemeente voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
4.1. De voorzieningenrechter ziet zich vooreerst voor de vraag geplaatst of [eiser] in zijn vorderingen kan worden ontvangen. Deze vraag wordt ontkennend beantwoord, waartoe het volgende wordt overwogen
4.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 438, vijfde lid, Rv dient een derde, die zich tegen een executie wil verzetten, zowel de executant als de geëxecuteerde te dagvaarden. Dit artikellid is geschreven voor alle gevallen waarin een derde tegen een aangevangen of voorgenomen executie wil opkomen.
4.3 [eiser] verzet zich, zowel door zijn primaire als zijn subsidiaire vorderingen, in feite tegen de voorgenomen executie. Onweersproken is dat de gemeente geen vordering heeft op [eiser], zodat [eiser] in het kader van dit kort geding moet worden aangemerkt als ‘een derde’ in de zin van artikel 438, vijfde lid, Rv voornoemd. [eiser] pretendeert te goeder trouw eigenaar te zijn geworden van de auto en beroept zich daarbij ook op de in artikel 453a, tweede lid Rv neergelegde derdenbescherming. Dit brengt met zich mee dat [eiser], om zich te kunnen verzetten tegen de voorgenomen executie, de gemeente als executant én [betrokkene] als geëxecuteerde had moeten dagvaarden. Nu [eiser] heeft nagelaten [betrokkene] in dit kort geding te betrekken, is aan voormeld vereiste niet voldaan, zodat [eiser] reeds op grond daarvan niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vorderingen. Daarbij wordt opgemerkt dat de redactie en de bewoordingen van artikel 438, vijfde lid, Rv er geen twijfel over laten bestaan dat het een voorschrift van dwingend recht betreft en derhalve op straffe van niet-ontvankelijkheid dient te worden nageleefd.
4.4 Gezien het vorenstaande kan de inhoudelijke behandeling van de vorderingen niet aan de orde komen.
4.5 Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] in de kosten van dit kort geding worden veroordeeld.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen,
veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de gemeente bepaald op € 248,00 voor verschotten.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Wiertz-Wezenbeek en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. E. Satijn op 5 oktober 2006.