ECLI:NL:RBARN:2006:AZ8629
Rechtbank Arnhem
- Voorlopige voorziening
- W.F. Bijloo
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen opleggen Educatieve Maatregel Alcohol na bloedonderzoek
Verzoeker maakte bezwaar tegen het besluit van verweerster waarbij hem een Educatieve Maatregel Alcohol (EMA) werd opgelegd vanwege een vastgesteld bloedalcoholgehalte boven de 0,8 ‰. Verzoeker stelde dat het bloedonderzoek onrechtmatig was uitgevoerd omdat hij geen toestemming zou hebben gegeven en er geen ademanalyse was toegepast.
De voorzieningenrechter overwoog dat het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs in bestuursrechtelijke procedures in principe is toegestaan, tenzij het bewijs op een wijze is verkregen die zozeer in strijd is met behoorlijk bestuur dat het gebruik ervan ontoelaatbaar is. De lichamelijke integriteit wordt beschermd door artikel 11 van Pro de Grondwet, waardoor bloedafname zonder toestemming in principe ontoelaatbaar is.
In deze zaak was echter onvoldoende vastgesteld dat verzoeker geen toestemming had gegeven. Het proces-verbaal, op ambtseed opgesteld, vermeldde dat toestemming was verleend voor onderzoek als bedoeld in artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, wat ook het bloedonderzoek omvat. Verzoekers stelling dat hij door zijn toestand na een ongeval niet in staat was toestemming te geven, werd niet aannemelijk geacht.
Daarom was er geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening en werd het verzoek afgewezen. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tegen het opleggen van een EMA wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van onrechtmatigheid van het bloedonderzoek.