ECLI:NL:RBARN:2006:BB2017
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- F.M.Th. Quaadvliet
- Rechtspraak.nl
Bewijsopdracht inzake uitleg non-concurrentiebeding tussen groothandels in levensmiddelen
In deze civiele procedure staat de uitleg van een non-concurrentieovereenkomst centraal tussen partijen die actief zijn in de groothandel van levensmiddelen voor de oriëntaalse horecamarkt. Na een aandelenoverdracht in 1999 en een schikking in 2004, waarbij een non-concurrentiebeding werd overeengekomen, ontstond een geschil over de vraag of leveringen aan Nederlandse groothandels die producten doorleveren aan Duitsland een overtreding van dit beding vormen.
Eiseressen stellen dat gedaagde het concurrentiebeding heeft geschonden door te leveren aan groothandels als Kai Tak en Asia Express Food, die vrijwel uitsluitend op de Duitse markt actief zijn. Gedaagde betwist dit en stelt dat het beding enkel ondernemingsactiviteiten op de Duitse markt verbiedt, niet het leveren aan Nederlandse groothandels die mogelijk doorleveren.
De rechtbank onderzoekt eerst de geoorloofdheid van het concurrentiebeding in het kader van het kartelverbod van artikel 81 EG Pro en oordeelt dat het beding een geoorloofde nevenrestrictie betreft. Vervolgens wordt de uitleg van het beding aan een zorgvuldige toets onderworpen waarbij de rechtbank oordeelt dat niet alleen een taalkundige uitleg geldt, maar ook de redelijke verwachtingen van partijen in de gegeven omstandigheden. Omdat onduidelijk is of partijen hebben bedoeld dat levering aan Nederlandse groothandels die doorleveren aan Duitsland onder het beding valt, draagt de rechtbank bewijsopdracht op aan eiseressen om dit nader te onderbouwen. De zaak wordt aangehouden voor bewijslevering en getuigenverhoor.
Uitkomst: Bewijsopdracht aan eiseressen om te bewijzen dat levering aan Nederlandse groothandels die doorleveren aan Duitsland onder het non-concurrentiebeding valt; zaak aangehouden.