ECLI:NL:RBARN:2007:AZ9871

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
7 februari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
130016
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 27 EEX-VerordeningArtikel 6 lid 3 EEX-VerordeningArtikel 30 EEX-VerordeningBoek 7 Zivilprozessordnung artikelen 688-704
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bevoegdheid rechtbank bij parallelle procedure in Duitsland volgens EEX-Verordening

In deze civiele zaak staat de vraag centraal of de rechtbank Arnhem bevoegd is om kennis te nemen van een reconventionele vordering, terwijl een procedure over hetzelfde onderwerp reeds aanhangig is bij het Amtsgericht Schoneberg in Duitsland.

Eiser stelt dat de Duitse procedure eerder is gestart en dat de rechtbank zich daarom onbevoegd moet verklaren dan wel de zaak moet aanhouden op grond van artikel 27 van Pro de EEX-Verordening. Gedaagde betwist dit en voert aan dat de Nederlandse rechtbank bevoegd is en dat de Duitse procedure is ingetrokken.

De rechtbank bevestigt het dwingende karakter van artikel 27 EEX Pro-Verordening, dat bepaalt dat bij gelijktijdige procedures de rechtbank waar de zaak het laatst is aangebracht, de zaak moet aanhouden of zich onbevoegd moet verklaren. Omdat de Duitse procedure mogelijk is beëindigd, wordt de zaak aangehouden om gedaagde in de gelegenheid te stellen dit nader te onderbouwen.

De rechtbank wijst erop dat het tijdstip van aanhangigmaking in Duitsland is vastgesteld op 25 november 2005 en de reconventionele eis in Nederland op 30 november 2005 is ingediend, waarmee de Duitse procedure eerder is gestart. De beslissing over bevoegdheid wordt aangehouden tot nadere stukken zijn overgelegd.

Uitkomst: De rechtbank houdt de zaak aan om nadere stukken over de intrekking van de Duitse procedure te verkrijgen en neemt geen verdere beslissing.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK ARNHEM
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 130016 / HA ZA 05-1407
Vonnis in incident van 7 februari 2007
in de zaak van
[eiser],
h.o.d.n. “die Niederrheinischenen Immobilien Makler”,
wonende te [woonplaats],
eiser in conventie in de hoofdzaak,
verweerder in reconventie in de hoofdzaak,
verweerder in het eerste incident,
eiser in het tweede incident,
procureur mr. S.G.M. Goedvriend,
advocaat mr. J. de Haan te Grave,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde in conventie in de hoofdzaak,
eiseres in reconventie in de hoofdzaak,
eiseres in het eerste incident,
verweerster in het tweede incident,
procureur mr. W.H.B.M. Litjens,
advocaat mr. A.G.W. Leysen te Nijmegen.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis van 29 maart 2006
- het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 13 september 2006
- de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring
- de incidentele conclusie van antwoord.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. De beoordeling in het incident
2.1. [eiser] vordert primair dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de door [gedaagde] ingestelde reconventionele vordering. Subsidiair vordert [eiser] dat de rechtbank de zaak in reconventie aanhoudt op grond van artikel 27 lid 2 van Pro de Verordening nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: EEX-Verordening). [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
2.2. [eiser] stelt dat [gedaagde] in Duitsland een procedure tegen hem is gestart, die betrekking heeft op hetzelfde onderwerp en berust op dezelfde oorzaak als de procedure die [gedaagde] in reconventie in de onderhavige hoofdzaak is gestart. [eiser] voert aan dat het Amtsgericht Schoneberg op 9 december 2005 op verzoek van [gedaagde] een “Mahnbescheid” heeft uitgevaardigd (onder nr. 05-1160428-0-2). Daarin is vastgelegd dat [eiser] een bedrag aan [gedaagde] moet betalen van EUR 27.455,04. [eiser] stelt dat hij tijdig beroep heeft aangetekend tegen die beslissing (de zogenaamde “Widerspruch”).
De zaak is thans geregistreerd bij het Amtsgericht Schoneberg, welk gerecht volgens [eiser] bevoegd is om de zaak te behandelen.
2.3. [gedaagde] voert een aantal verweren. Zij is van mening dat [eiser] het verweer dat deze rechtbank niet bevoegd is, eerder had moeten opwerpen. Het Mahnbescheid is immers op 9 december 2005 uitgevaardigd, terwijl [eiser] op 4 januari 2006 ter rolle een akte heeft genomen in het eerste incident. In dat processtuk heeft hij geen beroep gedaan op de onbevoegdheid van de rechtbank in reconventie.
[gedaagde] voert verder aan dat deze rechtbank krachtens artikel 6 lid 3 van Pro de EEX-Verordening bevoegd is kennis te nemen van haar vordering.
Ten slotte stelt [gedaagde] dat de procedure in Duitsland is ingetrokken. Ter onderbouwing van dit laatste standpunt heeft zij een faxbericht d.d. 12 januari 2007 van haar Duitse advocaat aan het Amtsgericht Schoneberg in het geding gebracht, waarin een verzoek om royement is opgenomen.
2.4. De rechtbank overweegt als volgt. Zoals beide partijen aanvoeren, is het “Mahnverfahren” (te vertalen als “betalingsbevelprocedure”) een civiele procedure die wordt gevoerd voor een gerecht en die haar wettelijke basis vindt in boek 7 van de Zivilprozessordnung (artikelen 688 tot en met 704). Het Mahnverfahren valt onder de werking van de EEX-Verordening.
2.5. Op grond van artikel 27 van Pro de EEX-Verordening moet, wanneer voor gerechten van verschillende lidstaten tussen dezelfde partijen vorderingen aanhangig zijn die hetzelfde onderwerp betreffen en die berusten op dezelfde oorzaak, het gerecht waar de zaak het laatst is aangebracht, de zaak ambtshalve aanhouden totdat de bevoegdheid van het gerecht waar de zaak het eerst is aangebracht vaststaat (eerste lid), dan wel moet dat gerecht, wanneer de bevoegdheid van het gerecht waar de zaak het eerst is aangebracht vaststaat, zich onbevoegd verklaren (tweede lid).
2.6. Voor de vraag wanneer de procedure in Duitsland is aangebracht, moet aanknoping worden gezocht bij artikel 30 van Pro de EEX-Verordening. Dat artikel bepaalt kort gezegd dat een zaak, wanneer geen voorafgaande betekening of mededeling door de eiser nodig is, wordt geacht te zijn aangebracht op het tijdstip waarop het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk bij het gerecht wordt ingediend. Het Mahnverfahren vangt aan met een formulier dat door de eiser wordt ingediend bij de bevoegde rechter. [eiser] stelt dat [gedaagde] haar vordering op 25 november 2005 bij het (bevoegde) Amtsgericht aanhangig heeft gemaakt. [gedaagde] heeft dat niet weersproken. De (voorwaardelijke) eis in reconventie is ingediend op 30 november 2005, dat wil zeggen ná de aanvang van de procedure in Duitsland.
2.7. Gelet op het dwingende karakter van artikel 27 van Pro de EEX-Verordening moet de rechtbank, wanneer is voldaan aan de in dat artikel genoemde voorwaarden, de zaak aanhouden dan wel zich onbevoegd verklaren. De vraag of, zoals [gedaagde] aanvoert, de exceptie van onbevoegdheid door [eiser] eerder had moeten worden opgeworpen kan dus onbeantwoord blijven. Ook de stelling van [gedaagde] dat deze rechtbank uit hoofde van artikel 6 lid 3 van Pro de EEX-Verordening bevoegd is kennis te nemen van de reconventionele vordering, doet aan het bovenstaande niet af.
2.8. [gedaagde] heeft echter een faxbericht d.d. 12 januari 2007 van haar raadsman aan het Amtsgericht Schoneberg overgelegd. Daaruit is op te maken dat [gedaagde] dat gerecht heeft meegedeeld dat zij haar vordering intrekt. De rechtbank stelt vast dat het nummer dat op het faxbericht is vermeld (05-1160428-0-02) overeenkomt met het op het Mahnbescheid vermelde “Geschäftsnummer”.
Of de procedure in Duitsland daadwerkelijk is geëindigd, is uit het faxbericht evenwel niet op te maken. Indien dat komt vast te staan, is geen sprake (meer) van een geval als bedoeld in artikel 27 lid 1 of Pro lid 2 van de EEX-Verordening en is de rechtbank bevoegd om van de vordering van [gedaagde] kennis te nemen.
2.9. De rechtbank zal, teneinde [gedaagde] de gelegenheid te geven haar stelling dat de procedure in Duitsland is geëindigd nader te onderbouwen, de zaak op de rol plaatsen van 21 februari 2007. [gedaagde] wordt verzocht bij akte een bevestiging van de intrekking van de procedure (bij voorkeur door middel van een brief van het Amtsgericht) in het geding te brengen.
2.10. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
3. De beslissing
De rechtbank
in het incident
3.1. plaatst de zaak op de rol van 21 februari 2007 voor het nemen van een akte door [gedaagde], met verwijzing naar rechtsoverweging 2.9,
3.2. houdt iedere verdere beslissing aan,
in de hoofdzaak
in conventie en in reconventie
3.3. houdt iedere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2007.