ECLI:NL:RBARN:2007:BA2869
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- A.J.H. van Suilen
- F.M. Smit
- M.C.G.J. van Well
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het vervreemdingsbegrip bij geruisloze inbreng volgens artikel 3.65 Wet IB
Eisers hebben hun onderneming ingebracht in een BV en verzochten om toepassing van de geruisloze inbrengfaciliteit op grond van artikel 3.65 Wet IB. Verweerder stelde voorwaarden waaronder een bewijsvermoeden geldt dat bij vervreemding van aandelen binnen drie jaar de geruisloze inbreng niet van toepassing is. Eisers maakten bezwaar tegen deze voorwaarden en stelden onder meer dat het vervreemdingsbegrip onterecht ruim is en strijdig met het EG-Verdrag.
De rechtbank oordeelt dat het vervreemdingsbegrip, inclusief emigratie als vervreemding, niet in strijd is met de wet of ongeschreven rechtsbeginselen. Het bewijsvermoeden is weerlegbaar en dient ter voorkoming van misbruik. De rechtbank verwerpt het standpunt van eisers dat een beperkt pakket aandelen vervreemden niet tot uitsluiting van de geruisloze inbreng kan leiden.
Verder concludeert de rechtbank dat het bewijsvermoeden geen onevenredige beperking van de vrijheid van vestiging vormt volgens artikel 43 EG Pro-Verdrag, aangezien het doel gerechtvaardigd is en het bewijsvermoeden weerlegbaar is. De beroepen tegen de uitspraak op bezwaar worden ongegrond verklaard. Vanwege het niet tijdig beslissen op bezwaar worden de kosten aan verweerder opgelegd.
Uitkomst: De beroepen tegen de uitspraak op bezwaar worden ongegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.