ECLI:NL:RBARN:2007:BA5519
Rechtbank Arnhem
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering betaling aannemingssom in kort geding wegens onvoldoende spoedeisend belang
Eiser heeft een aannemingsovereenkomst gesloten voor de verbouwing van een café, met een aanneemsom van €105.708,12. Na oplevering en gedeeltelijke betaling vordert eiser betaling van het resterende bedrag van €53.874,24. Gedaagde sub 1 betwist de vordering en beroept zich op tekortkomingen in het werk, waaronder fouten in de bar en de tegelvloer, en maakt gebruik van zijn opschortingsrecht.
De rechtbank stelt vast dat gedaagde sub 1 de enige contractspartij is en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de vordering in hoge mate juist is. Er zijn gegronde twijfels over de juistheid van de opleveringslijst die door gedaagde sub 1 is ondertekend, en over de aansprakelijkheid van eiser voor de gebreken. De rechtbank oordeelt dat een bodemprocedure nodig is om deze kwesties te onderzoeken.
Het spoedeisend belang van eiser bij een onmiddellijke voorziening wordt niet voldoende aangetoond, mede omdat het risico van onmogelijkheid van terugbetaling niet is uitgesloten. Daarom wijst de voorzieningenrechter de gevorderde voorziening af en veroordeelt eiser in de proceskosten.
Uitkomst: De gevorderde betaling wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid en spoedeisend belang.