ECLI:NL:RBARN:2007:BB2796

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
31 augustus 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
472913 CV Expl. 06-7341
Instantie
Rechtbank Arnhem
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:70 BWArt. 6:162 BWArt. 18 EEX-verordeningArt. 19 EEX-verordeningArt. 107 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering loonbetaling en aansprakelijkheid tussenpersoon in arbeidsovereenkomst

Eiser vordert betaling van achterstallig loon voor werkzaamheden verricht in 2005 en stelt dat gedaagde sub 2, als tussenpersoon en vermeende gevolmachtigde van gedaagde sub 1, aansprakelijk is voor de betaling. Eiser baseert zijn vordering op het ontbreken van een volmacht en op onrechtmatig handelen door het blokkeren van betalingen.

De kantonrechter oordeelt dat de arbeidsovereenkomst tussen eiser en gedaagde sub 1 niet wordt betwist en dat de loonbetalingsverplichting bij gedaagde sub 1 ligt. De stelling dat gedaagde sub 2 als pseudo-gevolmachtigde aansprakelijk zou zijn, wordt verworpen omdat eiser niet stelt dat gedaagde sub 2 zich ten onrechte als vertegenwoordiger heeft voorgedaan.

Ook de bewering dat gedaagde sub 2 betalingen blokkeert wordt onvoldoende onderbouwd, aangezien niet is gesteld dat hij bevoegd was om loonbetalingen te verrichten of bewust naliet deze te doen terwijl dat mogelijk was.

Daarnaast wordt de dagvaarding jegens gedaagde sub 1 nietig verklaard wegens niet juiste betekening volgens de toepasselijke verordening. De vordering jegens gedaagde sub 2 wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot loonbetaling en aansprakelijkheid van de tussenpersoon wordt afgewezen en de dagvaarding jegens de buitenlandse vennootschap nietig verklaard.

Uitspraak

Vonnis
RECHTBANK ARNHEM
Sector kanton
Locatie Nijmegen
zaakgegevens 472913 \ CV EXPL 06-7341 \ 199 jt
uitspraak van 31 augustus 2007
Vonnis
in de zaak van
[eisende partij]
wonende te Utrecht
gemachtigde BrantjesGroenVeerman Advocaten
eisende partij
tegen
1.
de vennootschap naar buitenlands recht [gedaagde sub 1]
gevestigd te Seaham Grange, Engeland
niet verschenen
2.
[gedaagde sub 2]
wonende te Druten
procederend in persoon
gedaagde partijen
Partijen worden hierna [eisende partij], [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd.
De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit
- de dagvaardingen van 11 en 12 oktober 2006 met producties
- de conclusie van antwoord met producties
- de conclusie van repliek met een productie
- de conclusie van dupliek.
In de zaak tegen [gedaagde sub 1]
Ambtshalve
1. De artt. 18 en 19 EEX-verordening kennen een exclusieve bevoegheidsregeling voor een zaak als deze. Nu onweersproken is gesteld dat [eisende partij] laatstelijk in Vianen heeft gewerkt, is de kantonrechter, gelet op de artt. 19 sub 2a EEX-verordening juncto 107 Rv, bevoegd van deze vordering kennis te nemen.
De dagvaarding zal echter nietig worden verklaard, in aanmerking genomen art. 19 lid Pro 1 Betekeningsverordening. Uit het als productie bij repliek overgelegde certificate of service or non-service of documents blijkt immers dat de dagvaarding niet was served in accordance with the law of the Meber State addressed of anderszins in persoon of aan de woonplaats van [gedaagde sub 1] was afgegeven. De situatie van art. 7 Uitvoeringswet Pro EG-betekeningsverordening doet zich hier niet voor.
In de zaak tegen [gedaagde sub 2]
2. [eisende partij] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde sub 2] hoofdelijk veroordeeld om aan hem te betalen € 1.836,- netto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten ad € 800,- vermeerderd met de wettelijke rente, alsmede hem veroordeeld in de proceskosten.
3. [eisende partij] heeft een contract of services gesloten met [gedaagde sub 1], dat als arbeidsovereenkomst moet worden gekwalificeerd. Hij heeft, ondanks herhaalde aanmaning, niet betaald gekregen voor de werkzaamheden ten behoeve van [gedaagde sub 1] verricht in de weken 43 en 44 van 2005 voor [naam bedrijf X] te Vianen. Hij heeft toen in totaal 102 uren gewerkt tegen een netto-uurtarief van € 18,-, zodat zijn vordering € 1.836,- netto bedraagt. [gedaagde sub 2] blijkt te fungeren als een soort tussenpersoon voor [gedaagde sub 1] in Nederland. De vordering jegens [gedaagde sub 2] is gebaseerd op de stelling dat [gedaagde sub 2] als gevolmachtigde van [gedaagde sub 1] is opgetreden en op grond van art. 3:70 BW Pro aansprakelijk is jegens [eisende partij], omdat de volmacht blijkt te ontbreken. Daarnaast heeft [gedaagde sub 2] zich jegens [eisende partij] onrechtmatig gedragen door de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid te wekken, althans betalingen die door de feitelijke werkgever van [eisende partij], [naam bedrijf X] te Vianen, zijn gedaan voor de door hem verrichte werkzaamheden te blokkeren terwijl hij wel bevoegd is over de bankrekening van [gedaagde sub 1] te beschikken.
4. [gedaagde sub 2] voert gemotiveerd verweer.
De beoordeling
5. Ingevolge art. 11 Verdrag Pro betreffende het toepasselijk recht op vertegenwoordiging is Nederlands recht op de vordering voor zover gebaseerd op het door [gedaagde sub 2] moeten instaan voor de omvang van zijn volmacht van toepassing. Voor zover de vordering is gebaseerd op onrechtmatige daad is op grond van art. 3 lid 1 Wet Pro conflictenrecht onrechtmatige daad eveneens Nederlands recht van toepassing.
6. Uit art. 3:70 BW Pro vloeit voort dat de pseudo-gevolmachtigde aan de derde de door het ontbreken van een toereikende volmacht ontstane schade dient te vergoeden. De stellingen van [eisende partij] zien echter niet op een dergelijke situatie. [eisende partij] stelt namelijk: “Alles wijst er op dat de heer [gedaagde sub 2] (…) zich verschuilt achter een Engelse limited, althans feitelijk de touwtjes in handen heeft. … De heer [gedaagde sub 2] profiteert waarschijnlijk van de betalingen die voor de werkzaamheden van [eisende partij] zijn gedaan door [naam bedrijf X].” [eisende partij] stelt dus niet dat [gedaagde sub 2] ten onrechte zich heeft voorgedaan als vertegenwoordiger van [gedaagde sub 1] toen hij de arbeidsovereenkomst met [gedaagde sub 1] sloot, waardoor [gedaagde sub 1] niet gebonden is aan de arbeidsovereenkomst. De schade wegens non-betaling van het loon over de weken 43 en 44 van 2005 door [gedaagde sub 1] kan dan ook niet door [eisende partij] worden verhaald op [gedaagde sub 2] als zijnde pseudo-gevolmachtigde van [gedaagde sub 1] op grond van art. 3:70 BW Pro of onrechtmatige daad, reeds omdat de arbeidsovereenkomst tussen [gedaagde sub 1] en [eisende partij] en de daaruit voortvloeiende loonbetalingsverplichting van [gedaagde sub 1] niet door [eisende partij] worden betwist.
7. Ook de stelling dat [gedaagde sub 2] de betalingen van [naam bedrijf X] voor de door [eisende partij] verrichte werkzaamheden blokkeert, terwijl hij wel de beschikking heeft over de bankrekening van [gedaagde sub 1] waarop die betalingen zijn gedaan heeft, kan de vordering niet schragen. Immers, niet gesteld is dat [gedaagde sub 2] bevoegd is om loonbetalingen vanaf die rekening te doen en dat hij willens en wetens niet tot de onderhavige loonbetalingen aan [eisende partij] is overgegaan, terwijl het saldo van die rekening dat toeliet.
8. De slotsom is dat de vordering zal worden afgewezen. [eisende partij] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure worden veroordeeld.
De beslissing
De kantonrechter
in de zaak jegens [gedaagde sub 1]
verklaart de dagvaarding nietig,
in de zaak jegens [gedaagde sub 2]
wijst de vordering af,
veroordeelt [eisende partij] in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van [gedaagde sub 2] begroot op nihil aan salaris gemachtigde.
Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. J.W.M. Tromp en in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2007.