ECLI:NL:RBARN:2007:BB3314
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid rechtbank bij geschil over toepasselijkheid arbitragebeding in RVOI 1998
In deze civiele procedure staat centraal de vraag of de rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van het geschil tussen Zurich c.s. en Janssen, dan wel dat de Commissie van Geschillen van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs exclusief bevoegd is op grond van de RVOI 1998. Janssen stelt zich op het standpunt dat zij met Newasco een overeenkomst heeft gesloten waarop de RVOI 1998 van toepassing is, terwijl Zurich c.s. betwist dat Janssen met Newasco heeft gecontracteerd en voert aan dat de RVOI 1998 niet van toepassing is.
De rechtbank overweegt dat de toepasselijkheid van de RVOI 1998 onvoldoende is onderbouwd door Janssen. De enkele mededeling dat de wederpartij bekend was met de RVOI 1998 is onvoldoende, mede omdat niet is gesteld of gebleken dat partijen regelmatig soortgelijke overeenkomsten sluiten waarbij de voorwaarden bekend zijn gesteld. Ook is niet aannemelijk dat Janssen wist of kon weten dat de wederpartij de inhoud kende.
Voorts wijst de rechtbank op het arrest Geurtzen/Kampstaal van de Hoge Raad waarin is bepaald dat de gebruiker van algemene voorwaarden slechts binnen strikte grenzen kan volstaan met het bieden van een redelijke mogelijkheid tot kennisname. De rechtbank concludeert dat het arbitragebeding in de RVOI 1998 vernietigbaar is omdat de voorwaarden niet tijdig ter hand zijn gesteld.
Daarmee is de rechtbank bevoegd en wordt het incidentele beroep op onbevoegdheid afgewezen. Janssen wordt veroordeeld in de proceskosten van het incident. De hoofdzaak wordt aangehouden voor verdere behandeling.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich bevoegd en wijst het incidentele beroep op onbevoegdheid af.