Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBARN:2007:BC0263

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
22 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 07/3413
Instantie
Rechtbank Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • L. van Gijn
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 3:46 AwbArt. 8:74 AwbArt. 8:75 AwbArt. 6:13 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit weigering toevoeging rechtsbijstand wegens onvolledige motivering peiljaarverlegging

Eiseres diende een aanvraag in voor een toevoeging rechtsbijstand op grond van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb), die door verweerder werd afgewezen omdat haar vermogen over het peiljaar 2004 het heffingvrije vermogen overschreed.

Eiseres verzocht vervolgens om herziening van deze afwijzing en om peiljaarverlegging naar 2006, omdat haar financiële situatie verslechterd was. Verweerder stelde dat geen aanvraag tot peiljaarverlegging was ingediend omdat het formulier niet was ingevuld, maar de rechtbank oordeelde dat de brief van eiseres wel degelijk een aanvraag vormde waarop verweerder had moeten beslissen.

De rechtbank stelde vast dat het bestreden besluit noch het advies van de bezwaarcommissie enige motivering bevatte over de peiljaarverlegging, hetgeen in strijd is met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarom vernietigde de rechtbank het besluit en bepaalde dat verweerder een nieuwe beslissing moet nemen met inachtneming van de uitspraak. Tevens werd het betaalde griffierecht aan eiseres vergoed.

Uitkomst: Het besluit tot weigering van de toevoeging rechtsbijstand wordt vernietigd vanwege onvoldoende motivering over de peiljaarverlegging.

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM
Sector bestuursrecht
Registratienummer: AWB 07/3413
Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[naam], eiseres,
wonende te [woonplaats],
en
de Raad voor Rechtsbijstand Arnhem, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 12 juli 2007.
2. Procesverloop
Bij besluit van 14 december 2006 heeft verweerder de door eiseres ingediende aanvraag voor een toevoeging op grond van de Wet op de rechtbijstand (Wrb) afgewezen.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.
Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.
Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 12 november 2007. Eiseres is aldaar niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. I.E.J. Weideveld-Buitenhuis.
3. Overwegingen
3.1 Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat het vermogen van eiseres over het peiljaar 2004 het heffingvrije vermogen overschreed, zodat zij ingevolge artikel 34, tweede lid, van de Wrb geen recht heeft op rechtbijstand overeenkomstig die wet.
3.2 Ingevolge artikel 34, tweede lid, van de Wrb wordt geen rechtsbijstand verleend, indien de rechtzoekende beschikt over een vermogen dat meer bedraagt dan het heffingvrij vermogen.
Ingevolge artikel 34c, eerste lid, van de Wrb neemt verweerder, indien in het jaar waarin de aanvraag om een toevoeging is gedaan sprake is van een terugval in het inkomen of vermogen, op aanvraag van de rechtzoekende een besluit dat is gebaseerd op het door verweerder geschatte inkomen of vermogen in het jaar waarin de aanvraag om een toevoeging is gedaan.
Artikel 34e, eerste lid, van de Wrb bepaalt, voor zover van belang, dat de beslissing op bezwaar tegen de beslissing op de aanvraag om een toevoeging wordt geacht mede betrekking te hebben op de beslissing op de aanvraag, bedoeld in artikel 34c, eerste lid, van de Wrb.
3.3 De rechtbank overweegt dat namens eiseres op 3 februari 2007 aan verweerder is verzocht de afwijzing van de aanvraag om een toevoeging te herzien en om te zetten naar een voorwaardelijke toevoeging, alsmede om het peiljaar te verleggen naar 2006, omdat de situatie voor eiseres na 2004 slechter is geworden.
Naar het oordeel van de rechtbank behelst deze brief een aanvraag om peiljaarverlegging, zoals neergelegd in artikel 34c, eerste lid, van de Wrb. Het standpunt van verweerder ter zitting dat er geen sprake is van een aanvraag aangezien niet gebleken is dat eiseres het daartoe opgestuurde formulier “Peiljaarverlegging” ingevuld heeft geretourneerd, volgt de rechtbank niet. Dat een aanvraag incompleet is, maakt niet dat er geen sprake is van een aanvraag waarop door verweerder beslist dient te worden. Niet gebleken is in dit verband dat verweerder de aanvraag onder toepassing van het bepaalde in artikel 4:5, eerste lid, van de Awb buiten behandeling heeft gesteld.
3.4 Nu er sprake is van een aanvraag om peiljaarverlegging, moet de thans bestreden beslissing, ingevolge artikel 34e, eerste lid, van de Wrb, mede worden geacht betrekking te hebben op de beslissing op die aanvraag. De rechtbank stelt evenwel vast dat de bestreden beslissing noch het daaraan ten grondslag liggende advies van de bezwaarcommissie overwegingen bevat over de aanvraag om peiljaarverlegging. Het besluit op die aanvraag is dan ook in strijd met het bepaalde in artikel 3:46 van Pro de Awb niet voorzien van een deugdelijke motivering.
Reeds hierom komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Verweerder zal een nieuwe beslissing moeten nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
3.5 Aangezien niet gebleken is dat eiseres proceskosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen, ziet de rechtbank geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van Pro de Awb, tot de volgende beslissing.
4. Beslissing
De rechtbank
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 39 aan haar vergoedt.
Aldus gegeven door mr. L. van Gijn, rechter, in tegenwoordigheid van mr. C. Aalders, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 november 2007.
De griffier, De rechter,
Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto Pro 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.
Verzonden op :22 november 2007