ECLI:NL:RBARN:2007:BD2931
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- I. Linssen
- A.J.H. van Suilen
- J.H.M. Delnooz-Engels
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid bestuurder voor niet-betaalde omzetbelasting wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur
De rechtbank Arnhem behandelde een geschil over de aansprakelijkheid van een gewezen bestuurder voor een naheffingsaanslag omzetbelasting van een vennootschap over het jaar 2000. De naheffingsaanslag was opgelegd nadat de BV geen aangiften had ingediend over de laatste maanden van 2000 en failliet was verklaard. De bestuurder werd aansprakelijk gesteld op grond van artikel 36 Invorderingswet Pro 1990.
De rechtbank oordeelde dat de naheffingsaanslag van 12 juni 2003 niet bekend was gemaakt en daarom niet in werking was getreden. De naheffingsaanslag van 15 maart 2005 was echter wel op het juiste adres, namelijk het domicilieadres van de BV bij het curatorenkantoor, verzonden. De bestuurder slaagde er niet in te bewijzen dat het niet betalen van de omzetbelasting niet aan zijn kennelijk onbehoorlijk bestuur te wijten was. Hoewel hij de administratie had overgedragen bij verkoop van de BV, rustte op hem de zorgplicht om de fiscale verplichtingen af te wikkelen.
De rechtbank stelde vast dat de bewijslast voor de hoogte van de belastingschuld bij de Belastingdienst lag en dat de vastgestelde naheffingsaanslag correct was berekend op basis van inkoopfacturen van handelspartners. De aftrek van voorbelasting werd terecht niet gehonoreerd vanwege het ontbreken van facturen. Het beroep van de bestuurder werd ongegrond verklaard en hij bleef aansprakelijk voor het volledige bedrag van de naheffingsaanslag.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de aansprakelijkheid van de gewezen bestuurder voor de naheffingsaanslag omzetbelasting.