ECLI:NL:RBARN:2007:BH0303

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
28 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 07/1399
Instantie
Rechtbank Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43 Invorderingswet 1990Art. 32 Invorderingswet 1990Art. 7 lid 4 Wet op de omzetbelasting 1968Art. 12 lid 1 Wet op de omzetbelasting 1968Art. 20 lid 2 Wet op de omzetbelasting 1968
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid voor naheffingsaanslagen omzetbelasting fiscale eenheid bevestigd

Eiser, enig aandeelhouder van een BV die deel uitmaakte van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting, werd aansprakelijk gesteld voor naheffingsaanslagen omzetbelasting die aan de fiscale eenheid waren opgelegd. De naheffingsaanslagen betroffen perioden na een aandelenoverdracht waarbij eiser niet schriftelijk de inspecteur informeerde over het einde van de fiscale eenheid.

De rechtbank oordeelt dat op grond van artikel 43 van Pro de Invorderingswet 1990 eiser hoofdelijk aansprakelijk blijft zolang de inspecteur niet schriftelijk is geïnformeerd over het einde van de fiscale eenheid. De stelling van eiser dat de fiscale eenheid slechts interne werking heeft en dat de naheffingsaanslagen aan de verkeerde belastingplichtige zijn opgelegd, faalt.

Eiser voerde aan dat de aansprakelijkstelling in strijd is met de Zesde Richtlijn en verwees naar een arrest van de Hoge Raad uit 2005, maar de rechtbank acht dit arrest niet relevant voor de onderhavige zaak. Ook de boete, rente en kosten zijn terecht aan eiser opgelegd. Omdat de aandelenoverdracht niet volledig is onderbouwd, wordt ervan uitgegaan dat de fiscale eenheid voortduurde. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Eiser is terecht hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de naheffingsaanslagen omzetbelasting en bijbehorende boete, rente en kosten.

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM
Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 07/1399
Uitspraakdatum: 28 juni 2007
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[X], wonende te [Z], eiser,
en
de ontvanger van de Belastingdienst/[P], verweerder.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 23 november 2006 op het bezwaar van eiser tegen de beschikking aansprakelijkstelling ([beschikkingsnummer]).
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2007.
Eiser is daar vertegenwoordigd door drs. [A]. Namens verweerder is verschenen [B].
1. Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
2. Gronden
Eiser is enig aandeelhouder van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [D BV] [D BV] was in ieder geval tot 21 juli 2005 enig aandeelhouder van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [C BV] Laatstgenoemde vennootschap draagt met ingang van 21 juli 2005 de naam [E BV]
Met ingang van 1 juni 2004 zijn eiser, [D BV] en [C BV] aangemerkt als fiscale eenheid voor de omzetbelasting. De naam van de fiscale eenheid luidt Fiscale Eenheid [D BV] c.s. (hierna: de fiscale eenheid).
Blijkens een akte van rectificatie van 4 september 2006 heeft [D BV] haar aandelen in [E BV] op 21 juli 2005 overgedragen aan [F BV]
In de periode oktober 2004 tot en met april 2006 heeft de fiscale eenheid de door haar verschuldigde omzetbelasting niet voldaan. Op grond daarvan zijn aan de fiscale eenheid naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd. De fiscale eenheid heeft de naheffingsaanslagen niet betaald.
Bij beschikking van 28 juli 2006 is eiser op grond van artikel 43, eerste lid, in samenhang met artikel 32, tweede lid, van de Invorderingswet 1990 aansprakelijk gesteld voor de aan de fiscale eenheid opgelegde naheffingsaanslagen omzetbelasting en bij de aanslagen genomen rente- en boetebeschikkingen.
De gemachtigde van eiser heeft ter zitting verklaard dat de inspecteur niet schriftelijk ervan in kennis is gesteld dat op grond van gewijzigde omstandigheden niet langer een fiscale eenheid bestond.
In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder eiser terecht aansprakelijk heeft gesteld voor de aan de fiscale eenheid voor de tijdvakken augustus 2005, oktober 2005, november 2005 en maart 2006 opgelegde naheffingsaanslagen omzetbelasting en de daarmee verband houdende boeten, kosten en rente.
Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.
Ingevolge artikel 43, eerste lid van de Invorderingswet 1990 zijn natuurlijke personen en lichamen in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, die ingevolge artikel 7, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 zijn aangemerkt als één ondernemer, hoofdelijk aansprakelijk voor de omzetbelasting welke verschuldigd is door deze ondernemer, dan wel – indien de inspecteur niet schriftelijk ervan in kennis is gesteld dat op grond van gewijzigde omstandigheden niet langer een eenheid bestaat als is bedoeld in die bepaling – door deze personen en lichamen.
Vaststaat dat de inspecteur niet voor de dagtekening van de beschikking aansprakelijkstelling schriftelijk in kennis is gesteld dat de fiscale eenheid niet langer bestaat door de door eiser gestelde gewijzigde omstandigheden. Hieruit volgt dat eiser hoofdelijk aansprakelijk is voor de omzetbelasting die door de fiscale eenheid dan wel door de personen en lichamen die als één ondernemer zijn aangemerkt, is verschuldigd. Of de fiscale eenheid al dan niet is geëindigd door gewijzigde omstandigheden kan aan dit oordeel niet afdoen.
Eiser heeft gesteld dat de fiscale eenheid slechts interne werking heeft en dat eiser daarom niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de op prestaties aan derden betrekking hebbende naheffingsaanslagen. Deze stelling kan, wat daar overigens ook van zij, evenmin tot een ander oordeel leiden omdat de aansprakelijkstelling volgt uit artikel 43, eerste lid, van de Invordingswet 1990.
Ingevolge artikel 7, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) worden natuurlijke personen en lichamen die deel uitmaken van een fiscale eenheid als één ondernemer aangemerkt. Ingevolge artikel 12, eerste lid van de Wet OB wordt de belasting geheven van de ondernemer. Ingevolge artikel 20, tweede lid, van de Wet OB wordt de naheffingsaanslag opgelegd aan degene die de belasting had behoren te betalen. Nu de fiscale eenheid de door haar verschuldigde omzetbelasting niet heeft voldaan, is de naheffingsaanslag terecht aan de fiscale eenheid opgelegd. Eisers stelling dat de aansprakelijkstelling niet in stand kan blijven omdat de naheffingsaanslagen aan de verkeerde belastingplichtige zijn opgelegd en derhalve dienen te worden vernietigd, slaagt daarom niet.
Eiser heeft ter zitting gesteld dat hij niet aansprakelijk kan worden gesteld omdat de voorwaarde dat de natuurlijke personen en lichamen bij voor bezwaar vatbare beschikking als één ondernemer zijn aangemerkt, in strijd is met de Zesde Richtlijn. Eiser heeft voor dit standpunt verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005 (nr. 38 659, onder meer gepubliceerd in BNB 2005/230). De Hoge Raad heeft in dit arrest echter uitsluitend geoordeeld dat belastingplichtigen zich erop kunnen beroepen dat zij als één belastingplichtige worden aangemerkt vanaf het tijdstip waarop zij in financieel, organisatorisch en economisch opzicht nauw met elkaar zijn verbonden en dat het tijdstip waarop door de inspecteur op een zodanig verzoek wordt beslist, niet van belang is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft genoemd arrest echter geen gevolgen voor de onderhavige aansprakelijkstelling.
Met betrekking tot de boete, kosten en rente begrepen in de aansprakelijkstelling overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft de stelling van verweerder dat het belopen van de boete, kosten en rente aan eiser is te wijten niet althans onvoldoende weersproken. Eiser is dan ook op juiste gronden aansprakelijk gesteld voor de boete, kosten en rente.
Voorts overweegt de rechtbank dat de akte van aandelenoverdracht van 21 juli 2005 niet door eiser is overgelegd. Als gevolg daarvan is het niet mogelijk conclusies te trekken over de financiële, organisatorische en economische verwevenheid van de diverse vennootschappen na de aandelenoverdracht. Voorshands moet er dan ook van worden uitgegaan dat de fiscale eenheid is blijven bestaan. De aansprakelijkstelling voor de opgelegde boete en in rekening gebrachte rente en kosten betreft dan ook de juiste periode.
Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak is gedaan op 28 juni 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A.M.F. Geerling, in tegenwoordigheid van mr. I. Lampe-Selanno, griffier.
Afschrift aangetekend
verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.