ECLI:NL:RBARN:2007:BH0314

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
26 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 06/6132
Instantie
Rechtbank Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • S.W. van Osch-Leysma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Wet WOZArt. 22 Wet WOZArt. 26a Wet WOZArt. 8:77 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling waardebepaling woning voor WOZ-heffing bij gebrek aan vergelijkingspanden

Eiser betwist de door de gemeente vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning per peildatum 1 januari 2003, gesteld op € 281.021,- voor het heffingsjaar 2005. De gemeente heeft de waarde gebaseerd op een taxatierapport en vergelijkingsobjecten, waarvan sommige buiten de woonplaats van eiser liggen.

De rechtbank overweegt dat de gemeente de bewijslast draagt voor de juistheid van de vastgestelde waarde en dat het haar vrij staat om nieuwe vergelijkingsobjecten aan te dragen, ook buiten de woonplaats indien daar geen geschikte panden beschikbaar zijn. De door de gemeente gebruikte vergelijkingspanden zijn qua type, bouwjaar, ligging en onderhoudstoestand voldoende vergelijkbaar en recent verkocht.

Verder is de door eiser aangevoerde mogelijke bodemverontreiniging achter de woning door een rapport van de provincie Gelderland weerlegd. Gezien deze overwegingen verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van de woning wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM
Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 06/6132
Uitspraakdatum: 26 juni 2007
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[X], wonende te [Z], eiser,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente [P], verweerder.
1. Ontstaan en loop van het geding
Verweerder heeft bij beschikking krachtens artikel 22 van Pro de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [a-straat 1] te [Z] (hierna: de woning), per waardepeildatum 1 januari 2003, vastgesteld voor het heffingsjaar 2005 op € 281.021,-.
Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 18 april 2006 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 mei 2007 te Arnhem. Eiser is niet verschenen. Namens verweerder is verschenen [A].
2. Feiten
Eiser is gebruiker/eigenaar van de woning. De woning is een vrijstaande woning met schuur. De inhoud van de woning is ongeveer 397m³ en de oppervlakte van het perceel is ongeveer 440m².
3. Geschil
In geschil is de waarde van de woning op de waardepeildatum.
Eiser bepleit een waarde van onder de € 200.000,- .
Eiser wijst daartoe met name op een volgens hem vergelijkbaar pand aan de [b-straat 1] te [Z].
Verweerder heeft onder meer verwezen naar een door hem overgelegd taxatierapport, opgemaakt op 30 januari 2007 door [B], WOZ-taxateur te [Q]. In dit taxatierapport is de waarde van de woning getaxeerd op € 277.220,-. Naast gegevens van de woning, bevat dit taxatierapport gegevens van een aantal vergelijkingsobjecten.
4. Beoordeling van het geschil
Krachtens artikel 17, eerste lid, van de Wet WOZ, wordt aan een onroerende zaak een waarde toegekend. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt deze waarde bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer, ofwel de prijs, die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald.
Ingevolge artikel 26a van de WOZ -voorzover hier van belang- wordt de door verweerder vastgestelde waarde geacht juist te zijn als de waarde in het economisch verkeer niet meer dan 4% (met een minimum van € 10.000,-) daarvan afwijkt.
De bewijslast inzake de juistheid van de aan de woning toegekende waarde op de peildatum ligt bij verweerder.
De rechtbank overweegt daarbij dat het verweerder ingevolge vaste jurisprudentie vrij staat om in iedere fase van deze procedure nieuwe vergelijkingsobjecten aan te dragen.
De rechtbank is, gelet op de gedingstukken en voornoemde drempel van artikel 26a van de WOZ voornoemd, van oordeel dat er voldoende grondslag is voor de vaststelling dat verweerder in de op hem rustende bewijslast in geslaagd. Verweerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning op de peildatum en met inachtneming van voornoemde drempel geacht moet worden niet te hoog te zijn vastgesteld.
De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de in het taxatierapport genoemde vergelijkingsobjecten –behalve [b-straat 2] te [Z], welk pand ook slechts ter indicatie werd vermeld- kort vóór of kort na de waardepeildatum zijn verkocht en wat betreft type, bouwjaar, ligging en onderhoudstoestand voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. In het verweerschrift is voorts door verweerder voldoende gemotiveerd dat het door eiser vermelde pand aan de [b-straat 1] te [Z] onvoldoende geschikt is als vergelijkingspand. Eisers grief dat verweerder vergelijkingspanden buiten zijn woonplaats heeft gebruikt kan aan het vorenstaande niet afdoen, omdat het verweerder is toegestaan bij gebrek aan vergelijkingspanden in de eigen woonplaats uit te wijken naar een andere plaats. Met betrekking tot de door eiser voorts nog aangevoerde mogelijke bodemverontreiniging achter zijn woning stelt de rechtbank vast dat uit een door verweerder overgelegde rapportage daarover van de provincie Gelderland voldoende aannemelijk is geworden dat daarvan, ook per de peildatum, geen sprake (meer) is.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.
5. Proceskosten
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
6. Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 26 juni 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. S.W. van Osch-Leysma, rechter, in tegenwoordigheid van J.B.M. Wassink, griffier.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend
verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.