ECLI:NL:RBARN:2008:BC2835

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
22 januari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
BM3034
Instantie
Rechtbank Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • P.A. Huidekoper
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 261 RvArt. 358 RvArt. 1:445 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking over klacht inzake beheer door bewindvoerder in personen- en familierecht

De rechtbank Arnhem behandelde een klacht over de wijze waarop een bewindvoerder het financiële beheer voerde voor een rechthebbende. De klacht betrof onder meer het gebrek aan communicatie sinds augustus 2006 en het niet adequaat reageren op signalen van derden over onvoldoende uitkering en problemen met huisvesting.

Uit de stukken bleek dat er geen actie was ondernomen om een extra uitkering aan te vragen, ondanks de signalen van een sociaal raadsvrouw en het Regionaal Maatschappelijk Adviescentrum. De bewindvoerder had een afspraak gemaakt dat de rechthebbende zelf voor haar inkomsten zou zorgen, maar dit was op dat moment niet meer passend gezien de omstandigheden.

De kantonrechter achtte de klacht gegrond en benadrukte dat de bewindvoerder verantwoordelijk is voor het volledige beheer van de financiën, inclusief het nemen van adequate maatregelen bij problemen. De beschikking is vatbaar voor hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem binnen drie maanden.

Uitkomst: De klacht over het beheer door de bewindvoerder is gegrond verklaard en hij is verantwoordelijk gehouden voor het volledige financiële beheer.

Uitspraak

Geachte heer [naam bewindvoerder],
In uw brief van 31 december 2007 heeft u een reactie gegeven op de klachten van mevrouw [naam rechthebbende].
In algemene termen geeft u toe dat de communicatie met mevrouw sedert augustus 2006 bijna nihil is geweest. Niet duidelijk is echter wat daarvan de reden is geweest en welke pogingen van uw kant zijn gedaan om het contact te verbeteren.
Uit de bijgevoegde stukken ( mailberichten) blijkt dat door derden (o.a. een sociaal raadsvrouw, [naam ] van het Regionaal Maatschappelijk Adviescentrum "Land van Cuijk") in oktober en november 2006 bij uw medewerker, de heer [naam medewerker], is gesignaleerd dat mevrouw [naam rechthebbende] te weinig uitkering ontving en dat daardoor problemen ontstonden, onder meer met haar huisvesting. Er moest actie worden ondernomen in de vorm van het aanvragen van een extra uitkering bij het CWI.
Omdat ik daarover niets lees, ga ik ervan uit dat dat niet is gebeurd.
Uit de stukken begrijp ik verder dat u met mevrouw [naam rechthebbende] de afspraak had gemaakt dat zij zelf voor haar inkomsten zou zorgen.
Een en ander overziende acht ik de klacht van mevrouw [naam rechthebbende] gegrond.
Uit de genoemde omstandigheden blijkt dat mevrouw [naam rechthebbende] op dat moment niet in staat was ten volle haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Het had op uw weg als bewindvoerder gelegen om op dat moment adequate maatregelen te nemen. De eerder - wellicht onder gunstiger omstandigheden - gemaakte afspraak met mevrouw dat zij zelf voor haar inkomsten zou zorgen, kon voor u geen reden meer zijn om niet in te grijpen, omdat u het signaal kreeg dat de inkomensverwerving niet goed ging.
Als bewindvoerder bent u verantwoordelijk voor het volledige beheer van de financiën: zowel de inkomsten als de uitgaven.
Deze brief kunt u beschouwen als een ambtshalve door mij genomen beschikking inzake door u afgelegde verantwoording, waartegen u binnen 3 maanden na heden hoger beroep kunt instellen bij het gerechtshof in Arnhem. (artt. 261, eerste lid, Rv jis 358 Rv en 1:445, eerste lid, BW)
Ter informatie heb ik een kopie van deze brief gezonden aan mevrouw [naam rechthebbende].
Naar ik vertrouw, heb ik u hiermee voldoende geïnformeerd.
Hoogachtend,
mr. P.A. Huidekoper,
kantonrechter