ECLI:NL:RBARN:2008:BC5326
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op provisiebetaling bij dagloonberekening WW-uitkering
Eiser, werkzaam als hypotheekadviseur, ontving na beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst provisiebetalingen over het refertejaar, maar deze vielen buiten het refertejaar dat geldt voor de berekening van het dagloon voor zijn WW-uitkering. Verweerder had de provisie niet meegenomen in de dagloonberekening omdat de betaling na het refertejaar plaatsvond.
Eiser stelde dat de provisiebetaling toch moest worden meegenomen op grond van artikel 2, vierde en/of vijfde lid van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen, omdat het loon vorderbaar maar niet inbaar zou zijn binnen het refertejaar. De rechtbank oordeelde dat eiser niet had aangetoond dat hij binnen het refertejaar de provisie had opgeëist en dat de werkgever had geweigerd te betalen, zoals vereist om van oninbaarheid te spreken.
Ook het beroep op het vijfde lid van artikel 2, dat ziet op inkomsten tijdens een fictieve opzegtermijn, faalde omdat die situatie hier niet van toepassing was. De rechtbank concludeerde dat het bestreden besluit van verweerder, waarin de provisie buiten de dagloonberekening bleef, rechtmatig was en verklaarde het beroep ongegrond.
De rechtbank zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en wees erop dat tegen deze uitspraak hoger beroep mogelijk is bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat de provisiebetaling buiten het refertejaar viel en niet als vorderbaar maar niet inbaar loon is aangetoond.