ECLI:NL:RBARN:2008:BC6865
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid incidentele vordering inzake substantiëringsplicht in civiele procedure
In deze civiele procedure vordert gedaagde in een incident dat eiseres haar substantiërings- en bewijsaandraagplicht nader onderbouwt. Gedaagde stelt dat eiseres in de dagvaarding verzuimd heeft verweren op te nemen en over bewijsmiddelen beschikt die zij niet in het geding brengt. Eiseres voert verweer en stelt dat de vordering niet-ontvankelijk is omdat het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering slechts vijf incidentele vorderingen kent, waartoe deze vordering niet behoort.
De rechtbank oordeelt dat er geen gesloten systeem van incidenten bestaat en dat de vordering in beginsel mogelijk is. Echter, de rechtbank benadrukt dat de substantiërings- en bewijsaandraagplichten bedoeld zijn om de procedure te bekorten tot één schriftelijke ronde gevolgd door een comparitie. Het is niet toegestaan om voorafgaand aan de hoofdzaak een incident te voeren over de vraag of aan deze plichten is voldaan, omdat dit leidt tot vertraging en een 'metadebat'.
Daarom verklaart de rechtbank de incidentele vordering van gedaagde niet-ontvankelijk. De beoordeling van de naleving van de substantiëringsplicht kan in de hoofdzaak plaatsvinden, waarbij de rechter ambtshalve kan bevelen dat ontbrekende gegevens worden verstrekt. Gedaagde wordt veroordeeld in de kosten van het incident.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de incidentele vordering van gedaagde niet-ontvankelijk en veroordeelt hem in de kosten van het incident.