ECLI:NL:RBARN:2008:BC9426
Rechtbank Arnhem
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Verstrekking NAW-gegevens in kort geding inzake vermeende intimidatie op werkvloer
In deze zaak vordert eiser dat gedaagde wordt bevolen om binnen 24 uur een brief in te trekken, zich te onthouden van verdere uitlatingen en de NAW-gegevens van een medewerkster en een vestigingsmanager te verstrekken. De brief bevatte beschuldigingen van ongewenst gedrag van eiser jegens een medewerkster van gedaagde.
De rechtbank overweegt dat hoewel het verstrekken van NAW-gegevens een onomkeerbare situatie creëert, dit bij kort geding niet per definitie tot niet-ontvankelijkheid leidt indien er een rechtmatig en spoedeisend belang is. De kernvraag is of de handelwijze van gedaagde onrechtmatig is jegens eiser. De rechtbank stelt vast dat niet kan worden uitgesloten dat de beschuldigingen juist zijn, maar ook niet dat ze onjuist zijn. Daarom is er geen grond om de brief in te trekken of een verbod op verdere uitlatingen op te leggen.
Wel oordeelt de rechtbank dat gedaagde onrechtmatig handelt door de NAW-gegevens van de medewerkster en de vestigingsmanager niet te verstrekken, omdat eiser zich anders niet adequaat kan verweren tegen de anonieme beschuldigingen. Daarom beveelt de rechtbank dat deze gegevens binnen drie dagen aan eiser worden verstrekt, onder dreiging van een dwangsom. Tevens wordt gedaagde veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Gedaagde wordt bevolen binnen drie dagen de NAW-gegevens van de betrokken medewerkster en vestigingsmanager te verstrekken, overige vorderingen worden afgewezen.