ECLI:NL:RBARN:2008:BD3452
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verjaring van vordering tot betaling uit vaststellingsovereenkomst en waardeloosverklaring conservatoir beslag
In deze zaak stond de vraag centraal of de vordering tot betaling van een bedrag van f 255.000,- uit een in 1988 gesloten vaststellingsovereenkomst was verjaard. De eiser had een huis verkocht, waarna een geschil ontstond en conservatoir beslag werd gelegd op zijn woonhuis. Na een arrest van het hof werd de koopovereenkomst vernietigd en een regeling getroffen waarbij het genoemde bedrag betaald zou worden.
De rechtbank oordeelde dat de verjaringsregel van artikel 3:307 lid 1 BW Pro ook geldt voor verbintenissen uit vaststellingsovereenkomsten en dat de vordering tot betaling van het bedrag in maart 1988 opeisbaar werd. De verjaringstermijn van vijf jaar begon toen te lopen en was in maart 1993 voltooid, zonder dat stuiting was gebleken.
Daarmee was de vordering verjaard en kon betaling niet meer worden gevorderd. Het conservatoir beslag was daardoor waardeloos geworden. De rechtbank wees de vordering van de gedaagden af en veroordeelde hen in de proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de bewaarder van het register gemachtigd tot doorhaling van het beslag.
Uitkomst: De vordering tot betaling is verjaard en het conservatoir beslag op het woonhuis wordt waardeloos verklaard met machtiging tot doorhaling.