ECLI:NL:RBARN:2008:BG0857
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid tot verrekening bij derdenbeslag op vorderingen uit factoringovereenkomst
In deze civiele procedure staat centraal of vorderingen die een factoringmaatschappij (gedaagde) na een eerste derdenbeslag op een cedent (betrokkene) heeft verkregen, onder dat beslag vallen of onder een later gelegd beslag. De eiseres, schuldeiser van betrokkene, had executoriaal derdenbeslag gelegd op vorderingen die gedagden aan betrokkene verschuldigd was.
De factoringmaatschappij had een akte van cessie gesloten met betrokkene waarin toekomstige vorderingen op patiënten werden overgedragen. De vraag was of de toekomstige vorderingen die na het eerste beslag ontstonden, rechtstreeks voortvloeiden uit de reeds bestaande rechtsverhouding tussen de factoringmaatschappij en betrokkene, zodat deze onder het eerste beslag vielen.
De rechtbank oordeelde dat toekomstige vorderingen niet rechtstreeks uit de bestaande rechtsverhouding voortvloeien, omdat het ontstaan ervan afhankelijk is van nieuwe patiëntbehandelingen en overdrachten. Daarom vielen deze vorderingen onder het tweede beslag. Verder werd geoordeeld dat de factoringmaatschappij het dubbel betaalde bedrag niet mocht verrekenen met de latere vorderingen, omdat dit onaanvaardbaar was jegens de beslaglegger. De factoringmaatschappij werd veroordeeld tot betaling van het bedrag van € 6.735,49 plus wettelijke rente aan eiseres.
De proceskosten werden gecompenseerd en het meer of anders gevorderde werd afgewezen.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de factoringmaatschappij tot betaling van € 6.735,49 plus wettelijke rente aan de beslaglegger en wijst verrekening af.