ECLI:NL:RBARN:2008:BG6078
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- A.I. van Amsterdam
- R.A.V. Boxem
- M.C.G.J. van Well
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over het tijdstip en de waardering van vervreemding aandelen in werkmaatschappij
Eiser richtte in 2002 samen met een zakenpartner een werkmaatschappij op en wilde de aandelen inbrengen in een houdstermaatschappij. De houdstervennootschap werd op 31 december 2002 opgericht, maar de aandelen werden toen niet ingebracht. Eiser verkocht zijn aandelen uiteindelijk in 2003 aan zijn houdstermaatschappij tegen nominale waarde.
De rechtbank oordeelde dat het tijdstip van vervreemding in 2003 lag, omdat de koopovereenkomst pas op 2 april 2003 werd gesloten en de levering op 24 december 2003 plaatsvond. De rechtbank vond dat de verkoopprijs niet onder normale omstandigheden tot stand was gekomen vanwege de aandeelhoudersrelatie, waardoor de waarde in het economische verkeer moest worden vastgesteld.
De rechtbank stelde de waarde van de aandelen vast op een gewogen gemiddelde van de intrinsieke waarde en de rentabiliteitswaarde, rekening houdend met de korte bestaansduur en de herstart na faillissement. Dit resulteerde in een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 28.600. De rechtbank verklaarde het beroep van eiser gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar en veroordeelde de Belastingdienst tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank stelde vast dat de vervreemding van aandelen in 2003 plaatsvond en bepaalde de overdrachtsprijs op basis van een gewogen gemiddelde van intrinsieke en rentabiliteitswaarde, waardoor het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang werd verminderd tot € 28.600.