4. De beoordeling van het geschil
4.1 Het betoog dat het besluit tot opzegging wegens formele gebreken moet worden vernietigd faalt. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is duidelijk geworden dat het vereiste overleg tussen partijen een en andermaal heeft plaatsgevonden, maar dat dit niet tot een oplossing van het geschil heeft geleid. Het benoemen van een bemiddelaar is niet verplicht en bovendien bestond daarover geen overeenstemming tussen partijen. Van handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de toelatingsovereenkomst is dan ook niet gebleken. Evenmin is gebleken van strijd met artikel 24, derde lid, van de toelatingsovereenkomst. Dit artikelonderdeel bepaalt dat de medisch specialist, de maatschap of het samenwerkingsverband waarvan de specialist deel uitmaakte en het stafbestuur voorafgaand aan de opzegging dienen te worden gehoord.
Nog daargelaten dat eiser, zoals onweersproken is gebleven, steeds heeft geweigerd een samenwerkingsverband aan te gaan met de andere toegelaten dermatoloog in het ziekenhuis van de Stichting, staat vast dat de Stichting alle in artikel 24, derde lid, genoemde partijen heeft gehoord, zodat in zoverre aan de in de toelatingsovereenkomst gestelde eisen is voldaan.
Ook het betoog dat het besluit van het stafbestuur op rechtsongeldige wijze zou zijn tot stand gekomen faalt, nu het stafbestuur in het kader van het voorgenomen besluit tot opzegging geen besluit heeft genomen en dit ook niet behoefde te nemen. Het stafbestuur moest worden gehoord, en dat is geschied.
4.2 Ook overigens komen de vorderingen van eiser niet voor toewijzing in aanmerking. Het Scheidsgerecht ziet in hetgeen door eiser naar voren is gebracht geen aanleiding om het besluit tot opzegging van de toelatingsovereenkomst per 3 september 2007 niet in stand te laten. Het Scheidsgerecht overweegt daartoe het volgende.
4.3 De Stichting heeft terecht het standpunt ingenomen dat eiser op grond van artikel 3, eerste lid, van de toelatingsovereenkomst toestemming van het bestuur van de Stichting nodig had voor zijn werkzaamheden in de Parkstad Kliniek. Dit artikelonderdeel ziet op de situatie dat een specialist met wie een toelatingsovereenkomst is gesloten voornemens is medisch specialistische zorg elders dan op de ziekenhuislocatie te gaan verrichten. Door de kliniek op te starten en aldaar werkzaamheden als dermatoloog uit te voeren zonder overleg met en toestemming van de Stichting heeft eiser gehandeld in strijd met de verplichtingen die voor hem uit artikel 3, eerste lid, voortvloeien. Als gevolg van zijn handelen en nalaten heeft eiser de Stichting de gelegenheid onthouden de vereiste belangenafweging te maken. Hij heeft aldus onvoldoende oog gehad voor de gerechtvaardigde belangen van de Stichting en zijn collega-specialisten in het ziekenhuis van de Stichting.
4.4 Anders dan eiser meent kan de Parkstad Kliniek niet worden aangemerkt als voortzetting van de dermatologische praktijk van het Juliana Ziekenhuis. Hiervoor is allereerst van belang dat eiser zelf ter zitting heeft verklaard dat de voortgezette poli Dermatologie van het Juliana Ziekenhuis op het adres Bilderdijkkade tot 2004 heeft voortbestaan en toen is beëindigd. Nu de Parkstad Kliniek eerst op 13 oktober 2006 van start is gegaan, kan deze kliniek reeds daarom niet worden aangemerkt als voortzetting van de poli Dermatologie van het voormalig Juliana Ziekenhuis.
4.5 Ook uit de brief van eiser van 13 oktober 2006 aan de verwijzers valt niet af te leiden dat de Parkstad Kliniek een voortzetting is van een bestaande praktijk, zoals bedoeld in het addendum bij de toelatingsovereenkomst. Die brief geeft veeleer de indruk van een nieuw dermatologisch spreekuur: de lezer wordt op de start van het spreekuur geattendeerd, vermeld wordt dat de praktijk zich vooralsnog beperkt tot een spreekuur op de vrijdagochtend, maar dat, indien mocht blijken dat behoefte bestaat aan uitbreiding, de spreekuren zullen worden uitgebreid. Het standpunt van eiser dat de werkzaamheden in de Parkstad Kliniek vallen onder de regeling voor de bestaande extramurale praktijk, zoals neergelegd in het addendum bij de toelatingsovereenkomst, moet dan ook voor onjuist worden gehouden. De Stichting heeft eiser daarop terecht bij herhaling gewezen.
4.6 De handelwijze van eiser ten aanzien van de Parkstad Kliniek is bovendien niet goed te begrijpen in het licht van het overleg tussen partijen op 17 oktober 2006. De Stichting heeft toen haar standpunt inzake de praktijkvoering van eiser nogmaals en op niet mis te verstane wijze duidelijk gemaakt, getuige de bevestiging van de gemaakte afspraken in de brief van 19 oktober 2006. De Stichting heeft eiser een laatste kans willen geven zich te houden aan de geldende regels en zijn praktijkvoering op orde te brengen. Anders dan eiser betoogt, ging het niet om problemen uit het verleden, die naar tevredenheid waren besproken en opgelost. Onder die omstandigheden had eiser kunnen en moeten begrijpen dat het nalaten de Stichting te informeren over zijn nieuwe extramurale spreekuur in de Parkstad Kliniek, dat vier dagen voor het overleg tussen hem en de Stichting van start was gegaan, een nieuwe en ernstige beschadiging van de samenwerking zou veroorzaken.
4.7 Dat deze gang van zaken voor de Stichting de spreekwoordelijke druppel heeft gevormd die de emmer heeft doen overlopen, acht het Scheidsgerecht, gelet op hetgeen voorafgaand aan dit incident en de opzegging tussen partijen is voorgevallen, niet onbegrijpelijk. Het Scheidsgerecht is van oordeel dat de Stichting eiser voldoende in de gelegenheid heeft gesteld zijn handelwijze aan te passen aan de eisen die uit de toelatingsovereenkomst volgen. Dat de Stichting na een reeks van incidenten uit het verleden, nadat was gebleken dat eiser niet genegen was toestemming te vragen voor zijn werkzaamheden in de Parkstad Kliniek en zijn werkzaamheden aldaar voortzette, en nadat ook de medische staf expliciet had aangegeven het vertrouwen in eiser te hebben verloren, geen basis meer heeft gezien voor een verdere samenwerking met eiser, is een conclusie die het Scheidsgerecht niet onredelijk voorkomt.
Aan het voorgaande doet niet af het antwoord op de vraag of de op 1 december 2006 gegeven aanwijzing, indien aangevochten, in rechte stand zou hebben gehouden. Ten eerste is die aanwijzing niet aangevochten, en ten tweede doet het gegeven verbod niet af aan de plicht van eiser toestemming te vragen voor nieuwe extramurale activiteiten.
4.8 Het Scheidsgerecht komt tot de conclusie dat de Stichting zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat sprake was van klemmende redenen van zodanige aard dat van de Stichting in redelijkheid niet gevergd kon worden de toelatingsovereenkomst met eiser voort te zetten. Nu de opzegging rechtmatig moet worden geoordeeld, is er geen grond voor schadevergoeding of betaling van een goodwillsom. Voor het toekennen van een vergoeding aan eiser op billijkheidsgronden ziet het Scheidsgerecht geen aanleiding.
4.9 De kosten van het Scheidsgerecht behoren, nu eiser in het ongelijk is gesteld, voor zijn rekening te komen. Voor het overige dient ieder van partijen de eigen kosten te dragen.”