ECLI:NL:RBARN:2008:BG6986

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
3 december 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
164449
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 EG-InsolventieverordeningArt. 15 EG-InsolventieverordeningArt. 29 Faillissementswet (Nederlands recht)Art. 63bis Belgische Faillissementswet
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Procedure geschorst wegens faillissement en onduidelijkheid over voorrecht bij aanvaring

De rechtbank Arnhem behandelde een vordering tot schadevergoeding van eiser, een buitenlandse rederij, tegen de Belgische vennootschap FLB naar aanleiding van een aanvaring tussen schepen van beide partijen op de Waal. Eiser stelde dat de aanvaring aan schuld van FLB te wijten was en vorderde schadevergoeding.

De kernvraag betrof de gevolgen van het faillissement van FLB voor de lopende procedure. De rechtbank constateerde dat noch uit de EG-Insolventieverordening, noch uit de overgelegde stukken kon worden afgeleid dat het beroep op art. 5 van Pro deze verordening slaagde. Hoewel eiser mogelijk een voorrecht heeft op het schip, blijkt niet dat dit een zakelijk recht is dat hem tot separatist maakt die buiten het faillissement om kan optreden.

Zowel volgens Nederlands als Belgisch recht is de procedure geschorst en dient de vordering ter verificatie te worden aangemeld. De rechtbank verwees de zaak naar de parkeerrol en hield verdere beslissing aan totdat duidelijk is of de vordering in het faillissement wordt erkend of betwist. De curator heeft aangegeven zich naar het vonnis te zullen richten.

Uitkomst: De procedure is geschorst en verwezen naar de parkeerrol vanwege het faillissement en de onduidelijkheid over het voorrecht.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK ARNHEM
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 164449 / HA ZA 07-2026
Vonnis van 3 december 2008
in de zaak van
de vennootschap naar buitenlands recht
[eiser] REEDEREI GMBH,
gevestigd te [woonplaats],
eiseres,
advocaat mr. P.M. Wilmink,
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht
F.L.B. SPRL,
gevestigd te Brussel,
gedaagde,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna [eiser] en FLB genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 30 juli 2008
- de akte van [eiser]
- de brief van 30 september 2008 van mr Vanschoubrouck
1.2 Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
2.1. De rechtbank heeft van geen van beide partijen een eenduidig antwoord gekregen op de vraag die in het tussenvonnis aan de orde is gesteld. De rechtbank komt tot het volgende. Het gaat hier om een vordering tot schadevergoeding van [eiser] jegens FLB wegens een aanvaring op de Waal tussen het aan FLB in eigendom toebehorende binnenvaartschip Palestel 29 en een aan [eiser] toebehorende duwboot [eiser] 20. Volgens [eiser] is de aanvaring aan schuld van de Palestel te wijten en is FLB daarom jegens haar aansprakelijk voor de schade. De vraag is wat het faillissement van FLB voor gevolgen heeft voor de onderhavige procedure. Naar welk recht dat moet worden beoordeeld valt uit (art. 15 van Pro) de EG-Insolventieverordening niet eenduidig af te leiden. Met name is niet duidelijk of een vordering tot schadevergoeding jegens de failliet valt onder het bepaalde in art. 15. Het kan echter in het midden blijven, omdat zowel volgens Nederlands recht als volgens Belgisch recht de lopende procedure is geschorst en de vordering ter verificatie moet worden aangemeld. Voor het Nederlandse recht volgt dat uit art. 29 F. Voor het Belgische recht uit art. 63bis van de Belgische Faillissementswet van 8 augustus 1997 inwerking getreden op 1 januari 1998. Uit dat laatste artikel blijkt dat de procedure van rechtswege is geschorst en blijft tot na de neerlegging van het eerste proces-verbaal van verificatie, tenzij het geding door de curator wordt hervat. Voorts blijkt uit die bepaling dat indien de ingediende schuldvordering wordt aanvaard in het eerste proces-verbaal van verificatie, het hangende geding zonder voorwerp wordt en dat indien de vordering wordt betwist in het eerste proces-verbaal van verificatie de curator verondersteld wordt het geding te hervatten. Aangenomen moet dus worden dat de onderhavige procedure van rechtswege is geschorst. Dat de curator in zijn brief van 30 september 2008 aan de rechtbank heeft geschreven zich naar het vonnis van deze rechtbank te refereren, maakt dat niet anders.
2.2 Het beroep van [eiser] op art. 5 van Pro de EG-Insolventieverordening slaagt niet. Het kan best zijn dat [eiser] voor de vordering uit onrechtmatige daad wegens aanvaring terzake van het verhaal een voorrecht heeft op het schip. Uit niets blijkt dat zo’n voorrecht een zakelijk recht inhoudt en evenmin dat dat de bevoorrechte tot separatist maakt die zijn recht buiten het faillissement om kan vervolgen en het schip buiten de curator om kan uitwinnen. De rechtbank kan dat ook uit de door [eiser] overgelegde stukken niet afleiden. Uit art. 5 van Pro de EG-Insolventieverordening volgt voor het daar bedoelde geval ook niet enige regeling van de gevolgen van het faillissement voor lopende procedures.
2.3 De procedure is dus geschorst en zal daarom worden verwezen naar de parkeerrol totdat duidelijk is of de vordering in het faillissement wordt erkend danwel betwist en dus of de procedure wordt voortgezet danwel zonder ‘voorwerp’ is geworden. De meest gerede partij wordt verzocht de rechtbank daaromtrent te zijner tijd te informeren.
3. De beslissing
De rechtbank
verwijst de zaak naar de rol van 17 december 2008 voor doorverwijzing naar de parkeerrol,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2008.