ECLI:NL:RBARN:2008:BH1514

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
23 december 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
176831/08/283
Instantie
Rechtbank Arnhem
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen kantonrechter wegens vermeende partijdigheid

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen kantonrechter A in een nieuwe zaak, waarbij hij stelde dat de rechter niet onafhankelijk was vanwege een eerdere uitspraak waarin verzoeker werd veroordeeld. De rechtbank overwoog dat kritiek op eerdere rechtspraak geen grond voor wraking vormt en dat zelfs als de eerdere uitspraak fouten bevatte, dit geen aanwijzing is voor partijdigheid.

De wrakingskamer beoordeelde ook de onafhankelijkheid van zichzelf en concludeerde dat klachten over een eerdere procedure geen invloed hebben op de huidige behandeling. Daarnaast werd benadrukt dat een wrakingsverzoek niet kan worden gebruikt als rechtsmiddel tegen eerdere vonnissen.

De rechtbank wees het verzoek af omdat er geen objectieve aanwijzingen waren dat de kantonrechter in de nieuwe zaak partijdig zou zijn. De behandeling van de eerdere zaak was gesloten, en het wrakingsverzoek richtte zich feitelijk op die eerdere procedure, waardoor het verzoek niet ontvankelijk was.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen kantonrechter A wordt afgewezen wegens het ontbreken van objectieve partijdigheid.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ARNHEM
Wrakingskamer
zaaknummer / rolnummer: 176831 / 08/283
Beschikking van 23 december 2008
inzake
[verzoeker],
wonende te Nijmegen,
verzoeker tot wraking,
en
[mr. A],
in haar hoedanigheid van kantonrechter in de zaak tussen de coöperatie [naam eisende partij] en verzoeker vernoemd (zaaknummer/rolnummer 577196/08-7561).
1. De procedure
1.1. Het verloop van de wrakingsprocedure blijkt uit:
- het proces-verbaal van de rolzitting van 31 oktober 2008 waarin het wrakingsverzoek is neergelegd
- het verweerschrift van [mr. A]
- de mondelinge behandeling op 15 december 2008.
1.2. Ter zitting heeft verzoeker aangegeven dat hij schriftelijk heeft gereageerd op het proces-verbaal van 31 oktober 2008. De wrakingskamer heeft de brief van verzoeker van 4 december 2008, die hij bij het kantongerecht te Nijmegen in persoon zou hebben afgegeven, echter niet vóór de mondelinge behandeling ontvangen. Verzoeker heeft de brief tijdens de zitting nogmaals overgelegd, zodat de wrakingskamer hiervan kennis heeft kunnen nemen.
1.3. Ten slotte is de uitspraak bepaald.
2. Het verzoek en het verweer
2.1. Verzoeker stelt dat hij het verzoek tot wraking heeft ingediend omdat [mr. A] zich volgens hem niet onafhankelijk heeft opgesteld en blijk heeft gegeven van vooringenomenheid
in een eerdere zaak waarin verzoeker partij was. In het vonnis dat dateert van 26 september 2008 heeft [mr. A] namelijk geoordeeld dat is komen vast te staan dat verzoeker de nota waar het in die zaak om ging niet had ingediend bij zijn verzekeringsmaatschappij. Verzoeker is uiteindelijk veroordeeld om een bedrag van € 50,06, vermeerderd met de wettelijke rente, alsook de proceskosten (van in totaal € 243,55) aan zijn verzekeringsmaatschappij te betalen.
Volgens verzoeker is voornoemde vaststelling niet juist. [mr. A] heeft verzoeker ook niet gevraagd om bewijs over te leggen. Verzoeker verwijt [mr. A] dan ook partijdig te
zijn. Tot slot stelt verzoeker dat de weergave van hetgeen hij tijdens de rolzitting op 31 oktober 2008 omtrent de grond van de wraking zou hebben opgemerkt niet juist is.
2.2. [mr. A] voert aan dat zij niet berust in de wraking, maar dat het wrakingsverzoek haar geen aanleiding geeft tot het geven van een reactie.
3. De motivering van de beslissing
3.1. Gelet op artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient in een wrakingsprocedure te worden beslist of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid bij de rechter in de zin van artikel 6 lid 1 van Pro het (Europees) Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
3.3. Verzoeker heeft tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek allereerst de bevoegdheid van de wrakingskamer aan de orde gesteld. Tijdens een eerdere procedure bij de wrakingskamer in een andere zaak zou verzoeker hebben aangegeven dat hij op de datum van de mondelinge behandeling verhinderd was. De behandeling van de zaak heeft toen toch doorgang gevonden. Volgens verzoeker raakt dit de onafhankelijkheid van de wrakingskamer.
3.4. Voor zover verzoeker heeft bedoeld te stellen dat de wrakingskamer niet onafhankelijk zou zijn geweest, wordt overwogen dat voornoemde klacht over het verloop van een eerdere procedure niet tegen deze wrakingskamer is gericht. Dat het verzoek tot uitstel toen niet is gehonoreerd, kan thans niet meebrengen dat de wrakingskamer in het onderhavige wrakingsverzoek niet bevoegd of niet onafhankelijk zou zijn.
3.5. Aan de door verzoeker aangevoerde omstandigheden zoals verwoord onder 2.1. valt evenmin een aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de kantonrechter vooringenomen en/of niet onafhankelijk was. Ook al zou het vonnis van 26 september 2008 een fout bevatten, hetgeen overigens niet vaststaat en thans ook niet ter beoordeling voorligt, geeft dit geen blijk van enige vooringenomenheid of partijdigheid. Kritiek op - al dan niet constante - rechtspraak van een rechter of rechterlijk college komt niet in aanmerking als wrakingsgrond: het instituut van de wraking kan niet worden benut als rechtsmiddel. Indien verzoeker het niet eens is met de beoordeling van zijn zaak door [mr. A] kan hij cassatie instellen bij de Hoge Raad.
3.6. Daar komt bij dat verzoeker het wrakingsverzoek in wezen heeft ingediend in een andere, nieuwe zaak, terwijl de behandeling van de eerdere zaak reeds is gesloten. Een verwijzing naar een eerdere gerechtelijke procedure en beslissing kan op zichzelf niet leiden tot de conclusie dat er ten aanzien van de kantonrechter die oordeelt over een nieuwe zaak, terwijl de behandeling van de eerdere zaak waar het verzoeker om te doen is reeds is gesloten, waarbij verzoeker partij is sprake is van objectieve partijdigheid.
3.7. Het voorgaande leidt ertoe dat het verzoek tot wraking van [mr. A] zal worden afgewezen.
4. De beslissing
De rechtbank
wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.G. Smedema, P.J. Wiegman en C.M.E. Lagarde in tegenwoordigheid van de griffier mr. B.J.M. Vermulst op 23 december 2008.
de griffier de voorzitter