ECLI:NL:RBARN:2008:BK7684

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
11 januari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 07/1539
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 Wet IB 2001Art. 3.91 Wet IB 2001Art. 8:67 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanspraak op verlies uit terbeschikkingstellingsregeling inkomstenbelasting 2002

Eiser, woonachtig in België en enig aandeelhouder van een Nederlandse vennootschap, stelde dat hij een verlies kon claimen op grond van de terbeschikkingstellingsregeling in de Wet inkomstenbelasting 2001. Hij baseerde dit op een storting die hij deed en een regresvordering die hij daarop verkreeg op zijn zoon, die directeur was van de vennootschap.

De inspecteur van de Belastingdienst had echter de aanslag inkomstenbelasting 2002 opgelegd zonder verliesbeschikking toe te kennen. Eiser voerde bezwaar aan, maar dit werd door verweerder afgewezen. De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een ter beschikking stelling van vermogen zoals bedoeld in artikel 3.91 Wet IB, mede omdat eiser geen vergoeding ontving voor de contragarantie en niet als borgsteller werd aangesproken.

De rechtbank concludeerde dat de aanspraak op verlies niet terecht was en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak werd gedaan op 11 januari 2008 en in het openbaar uitgesproken door rechter Geerling.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanspraak op verlies uit de terbeschikkingstellingsregeling wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM
Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 07/1539
Uitspraakdatum: 11 januari 2008
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[X], wonende te [Z] (België),
gemachtigde [gemachtigde],
eiser,
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Rivierenland, kantoor Arnhem,
gemachtigde [gemachtigde],
verweerder.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 28 februari 2007 op het bezwaar van eiser tegen de aan hem opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2002 (aanslagnummer [00].H26).
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 december 2007.
Eiser noch zijn gemachtigde is daar – zonder voorafgaande kennisgeving aan de rechtbank – verschenen. De gemachtigde van verweerder is – na voorafgaande kennisgeving aan de rechtbank – in verband met zijn vakantie niet verschenen.
1. Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
2. Gronden
Vaststaande feiten
Eiser is vanaf 15 september 2002 woonachtig in België en dient te worden aangemerkt als buitenlands belastingplichtige in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB).
Eiser is enig aandeelhouder van de te [q] (Nederland) gevestigde vennootschap [A] B.V. Zijn zoon – de heer [B], geboren op [geboortedatum] (hierna: de zoon) – is sedert 1998 statutair directeur van deze vennootschap.
De zoon dreef vanaf 1997 een onderneming in de vorm van een eenmanszaak onder de naam [C]. Deze onderneming is in het jaar 2001 geliquideerd.
Blijkens een bankgarantie van 28 februari 1997 stelt de [D] zich garant voor de zoon voor een bedrag van ƒ 150.000 inzake een door de [D]. verstrekte geldlening van ƒ 150.000 aan de zoon. Onder verwijzing naar voornoemde bankgarantie verstrekt eiser op dezelfde datum een zogenoemde contragarantie aan [D] tot een bedrag van
ƒ 150.000.
In juni 1999 verstrekt [A] B.V. een geldlening ter grootte van ƒ 200.000 aan de zoon handelend namens [C].
Eiser stort op 19 april 2001 een bedrag van ƒ 100.785 op de bankrekening van [A] B.V. Op dezelfde datum wordt een bedrag van ƒ 100.000 door [A] B.V. betaald aan [C]. Vervolgens lost de zoon eveneens op 19 april 2001 een bedrag af op de door de [D]. aan hem verstrekte geldlening.
Geschil
Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of verweerder terecht geen verliesbeschikking heeft afgegeven ter zake van het door eiser geclaimde verlies op grond van artikel 3.91 van de Wet IB.
Eiser stelt zich op het standpunt dat hij als gevolg van de storting op 19 april 2001 een regresvordering van ƒ 100.000 heeft verkregen op zijn zoon en dat daarmee sprake is van een ter beschikkingstelling in de zin van artikel 3.91 van de Wet IB. Deze vordering heeft eiser vervolgens afgewaardeerd tot nihil waardoor naar eiser stelt het belastbare inkomen uit werk dient te worden vastgesteld op negatief ƒ 100.000.
Verweerder stelt zich daarentegen op het standpunt dat van een verlies op grond van de ter beschikkingstellingsregeling geen sprake is.
Beoordeling van het geschil
Ingevolge artikel 3.91, tweede lid, onderdeel d, van de Wet IB wordt een vergoeding voor het aangaan van borgtocht aangemerkt als een voordeel uit het ter beschikking stellen van vermogen, indien het een borgtocht betreft voor schulden betreffende een onderneming of werkzaamheid van een verbonden persoon of samenwerkingsverband, waaruit een verbonden persoon winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden geniet.
Op eiser rust de bewijslast aannemelijk te maken dat in het onderhavige geval sprake is van een ter beschikking stelling van vermogen als bedoeld in voornoemd artikel.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door verweerder, niet aannemelijk gemaakt dat hiervan sprake is. Van een ter beschikking stelling in vorenbedoelde zin is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake aangezien eiser (1) nimmer een vergoeding heeft ontvangen voor de door hem verstrekte contragarantie en (2) niet door de [D] is aangesproken op de door hem verstrekte contragarantie en derhalve niet in zijn hoedanigheid als borgsteller een betaling heeft verricht.
Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak is gedaan op 11 januari 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A.M.F. Geerling, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Munniks, griffier.
De griffier is buiten staat, De rechter,
deze uitspraak mede te
ondertekenen.
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.