AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Parkeerbelasting naheffingsaanslag onterecht opgelegd bij aankoop parkeerkaart op ander terrein
Eiser parkeerde zijn auto op 17 november 2007 aan de A-straat 1 te Q en kocht een parkeerkaart die geldig was voor het parkeerterrein A, dat grenst aan de A-straat 1. Een parkeercontroleur constateerde later dat de parkeerkaart niet geldig was voor de locatie waar geparkeerd werd en legde een naheffingsaanslag parkeerbelasting op.
De rechtbank oordeelt dat eiser met de aankoop van de parkeerkaart op redelijke wijze aan zijn onderzoeksplicht en betalingsverplichting jegens de gemeente heeft voldaan. De stelling van verweerder dat betaling bij een andere parkeerautomaat dan die van de parkeerlocatie geen voldoening van de belasting betekent, wordt niet gevolgd. Er was geen aanwijzing dat de belasting bij een specifieke automaat voldaan moest worden.
De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Tevens wordt de gemeente Nijmegen gelast het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden. De uitspraak is gedaan op 8 oktober 2008 en in het openbaar uitgesproken door rechter G.D. van Norden.
Uitkomst: De naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt vernietigd omdat eiser met aankoop van een parkeerkaart op een ander terrein aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Uitspraak
RECHTBANK ARNHEM
Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer
registratienummer: AWB 08/533
uitspraak ingevolge artikel 8:77 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
van 8 oktober 2008
inzake
[X], wonende te [Z], eiser,
tegen
de heffingsambtenaar van de gemeente [Nijmegen], verweerder.
1. Ontstaan en loop van het geding
Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 17 november 2007 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [000]) parkeerbelasting opgelegd, ten bedrage van € 49,20.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 5 januari 2008 de naheffingsaanslag gehandhaafd.
Eiser heeft daartegen bij brief van 16 januari 2008, ontvangen bij de rechtbank op
17 januari 2008, beroep ingesteld.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2008 te Arnhem.
Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder is verschenen mr. [gemachtigde].
2. Feiten
Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.
Eiser heeft de auto met het kenteken [00-AA-BB] op 17 november 2007 geparkeerd op de [A-straat 1] te [Q].
Eiser heeft een parkeerkaart gekocht welke geldig is voor het parkeerterrein [A], dat aan de [A-straat 1] grenst.
Om 15.18 uur heeft een parkeercontroleur vastgesteld dat in de auto een ongeldige parkeerkaart aanwezig was, namelijk een parkeerkaart die niet geldig is voor de [A-straat 1]. Vervolgens is de naheffingsaanslag opgelegd.
Voor [A] geldt een parkeertarief van € 3,50 per dag. Voor de [A-straat 1] geldt een parkeertarief van € 1,20 per uur.
3. Geschil
In geschil is het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag terecht aan eiser is opgelegd.
Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.
4. Beoordeling van het geschil
Ter zitting heeft eiser, niet weersproken, aangegeven dat hij zijn auto op 17 november 2007 op of omstreeks 14.00 uur aan de [A-straat 1] heeft geparkeerd en een parkeerkaart heeft gekocht. Gelet op de vastgestelde feiten en gezien het gestelde in de door verweerder bij zijn verweerschrift overgelegde afdruk van de Verordening parkeerbelastingen 2007 heeft eiser een bedrag aan parkeerbelasting op aangifte voldaan. Gelet op het tijdstip van aankomst en de aankoop van de parkeerkaart en het tijdstip waarop de controleur heeft vastgesteld dat een onjuiste parkeerkaart was gebezigd en gezien het gestelde onder de feiten is de rechtbank van oordeel dat eiser op het tijdstip van de controle (nog) niet in gebreke was. Dat betekent dat van naheffing van parkeerbelasting geen sprake kan zijn.
De omstandigheid dat eiseres in dat geval niet op de juiste wijze aangifte heeft gedaan door niet het juiste parkeerkaartje te kopen, is niet van doorslaggevend belang. Er is immers sprake van een naheffingsaanslag zoals bedoeld in artikel 20 vanPro de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Uit dat artikel volgt dat belasting kan worden nageheven als een belastingplichtige de verschuldigde belasting niet heeft voldaan. De omstandigheid dat de belastingplichtige niet op de juiste wijze aangifte heeft gedaan, is daarbij niet van belang. De rechtbank wijst in dat verband op het arrest van de Hoge Raad van 8 januari 1997, 31 657, BNB 1997/68.
De in dezen op eiser rustende onderzoeksplicht kan niet tot gevolg hebben dat bij elke onjuiste interpretatie van de na onderzoek voorhanden zijnde gegevens en omstandigheden naheffing aan de orde is. In het onderhavige geval moet gelet op de feiten en omstandigheden ter plaatse worden geoordeeld dat eiser met de aankoop van de parkeerkaart in redelijkheid heeft voldaan aan zijn onderzoeksplicht en aan zijn verplichtingen jegens de gemeente.
Verweerder heeft in dit verband een beroep gedaan op het arrest van de Hoge Raad van 3 december 2004, nr. 38 407. Verweerder geeft aan dat betaling bij een andere parkeerautomaat dan die welke bedoeld is voor de locatie waar geparkeerd wordt, betekent dat geen belasting is voldaan voor de betreffende parkeerlocatie. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn opvatting. Anders dan in het door de Hoge Raad besliste geval is hier immers geen sprake van enige aanwijzing dat de verschuldigde belasting bij een bepaalde parkeerautomaat moet worden voldaan. De rechtbank heeft in de door verweerder overgelegde stukken een zodanige aanwijzing niet aangetroffen. Artikel 11 vanPro voornoemde verordening geeft het college van burgemeester en wethouders overigens wel de mogelijkheid om nadere regels met betrekking tot de heffing te geven. Ook heeft verweerder van een zodanige aanwijzing geen melding gemaakt en is de rechtbank ook overigens niet gebleken van enige aanwijzing in die richting.
Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.
5. Proceskosten
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld dat eiser kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.
6. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de naheffingsaanslagen bepaalt dat deze uitspraak in zo verre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- gelast dat de gemeente Nijmegen het door eiser betaalde griffierecht van € 39 vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan op 8 oktober 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. G.D. van Norden, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L.L. van Benthem, griffier.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;