ECLI:NL:RBARN:2009:BH1423
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling waarde vordering op frauderende beleggingsadviseur voor belastingheffing
Eiser had een lening van € 200.000 verstrekt aan B, een beleggingsadviseur die later failliet werd verklaard en veroordeeld wegens fraude. De Belastingdienst legde een navorderingsaanslag op waarbij de vordering op B voor de belastingheffing werd gewaardeerd op de nominale waarde. Eiser stelde dat de waarde lager moest worden vastgesteld op basis van de werkelijke financiële situatie van B op 31 december 2004, mede gezien latere gegevens uit het faillissement en strafrechtelijk onderzoek.
De rechtbank oordeelt dat bij de waardering van de vordering rekening moet worden gehouden met alle na de peildatum bekende feiten die licht werpen op de toestand van B op die datum. Uit het strafrechtelijk onderzoek en de curator blijkt dat B vrijwel geen beleggingen heeft gedaan, maar geld gebruikte om andere inleggers uit te betalen en privé-uitgaven te doen. De schulden van B overtroffen zijn bezittingen aanzienlijk, waardoor hij op lange termijn niet solvabel was.
Hoewel B tot begin 2005 aan enkele verplichtingen kon voldoen, verandert dit niets aan de slechte financiële positie per 31 december 2004. De rechtbank volgt het standpunt van eiser dat de waarde van de vordering lager moet worden vastgesteld dan de nominale waarde. Hierdoor is de navorderingsaanslag onterecht opgelegd en wordt deze vernietigd. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: De navorderingsaanslag wordt vernietigd omdat de vordering op de frauderende beleggingsadviseur per 31 december 2004 lager moet worden gewaardeerd dan de nominale waarde.