ECLI:NL:RBARN:2009:BH4860
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtmatigheid heffingsrente over dividenduitkering in 2007
Eiser, directeur en groot aandeelhouder van een BV, ontving in december 2007 een dividenduitkering van € 500.000. De Belastingdienst legde een voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen op met heffingsrente van € 1.722, berekend vanaf 1 juli 2007 tot 5 april 2008. Eiser betwistte de heffingsrente over deze periode, stellende dat rente pas verschuldigd zou zijn vanaf het moment van aangifte dividendbelasting op 31 januari 2008.
De rechtbank stelt vast dat de dividendbelasting verschuldigd is op het moment van ontvangst van het dividend en niet pas bij de aangifte. De heffingsrente wordt berekend volgens artikel 30f AWR, dat sinds 1 januari 2006 voorschrijft dat rente wordt berekend vanaf het midden van het belastingjaar, hier 1 juli 2007. De wetsgeschiedenis benadrukt dat deze regeling uitgaat van een fictie van gelijkmatige aangroei van het belastbare inkomen gedurende het jaar.
De rechtbank benadrukt dat zij niet bevoegd is om de billijkheid van de wet te toetsen of uitvoering te geven aan delegatiebepalingen, noch om te oordelen over een mogelijke onrechtmatige daad van de wetgever jegens eiser. De heffingsrente is derhalve terecht opgelegd en het beroep wordt ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de heffingsrente is ongegrond verklaard en de heffingsrente is terecht berekend vanaf 1 juli 2007.