ECLI:NL:RBARN:2009:BI3350
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- I. de Waal-van Wessem
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek ouder zonder gezag inzake omgangsregeling met minderjarigen
In deze zaak verzocht de vader, die niet met het gezag over zijn minderjarige kinderen is belast, de schriftelijke aanwijzing van het Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering (LJ&R) vervallen te verklaren en zijn recht op omgang met de kinderen te herstellen. De kinderen zijn onder toezicht gesteld en verblijven buiten het huis. De moeder oefent het gezag uit. De vader erkende de kinderen en stelde dat hij op grond van art. 8 EVRM Pro recht heeft op bescherming van zijn ouderlijke rechten en toegang tot de rechter op grond van art. 6 EVRM Pro.
De kinderrechter oordeelde dat een aanwijzing zich niet kan richten tot de ouder zonder gezag en dat deze ouder zich conform art. 1:377a BW moet wenden tot de rechtbank voor het vaststellen van een omgangsregeling. Artikel 1:259 BW Pro biedt geen rechtsmiddel tegen een aanwijzing aan de niet met gezag belaste ouder. De wetgever maakt een duidelijk onderscheid tussen de ouder met gezag en zonder gezag. De toegang tot de rechter voor de ouder zonder gezag is voldoende gewaarborgd via art. 1:377a BW.
De kinderrechter concludeerde dat het verzoek niet-ontvankelijk is en dat er geen strijdigheid is met de artikelen 6 en 8 EVRM. De beschikking werd uitgesproken in aanwezigheid van de griffier en is openbaar. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak, via de griffie van het gerechtshof Arnhem.
Uitkomst: Verzoeker, de vader zonder gezag, is niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing.