ECLI:NL:RBARN:2009:BI3350

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
27 april 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
181815
Instantie
Rechtbank Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • I. de Waal-van Wessem
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:259 BWArt. 1:263a BWArt. 1:258 BWArt. 1:377a BWArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek ouder zonder gezag inzake omgangsregeling met minderjarigen

In deze zaak verzocht de vader, die niet met het gezag over zijn minderjarige kinderen is belast, de schriftelijke aanwijzing van het Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering (LJ&R) vervallen te verklaren en zijn recht op omgang met de kinderen te herstellen. De kinderen zijn onder toezicht gesteld en verblijven buiten het huis. De moeder oefent het gezag uit. De vader erkende de kinderen en stelde dat hij op grond van art. 8 EVRM Pro recht heeft op bescherming van zijn ouderlijke rechten en toegang tot de rechter op grond van art. 6 EVRM Pro.

De kinderrechter oordeelde dat een aanwijzing zich niet kan richten tot de ouder zonder gezag en dat deze ouder zich conform art. 1:377a BW moet wenden tot de rechtbank voor het vaststellen van een omgangsregeling. Artikel 1:259 BW Pro biedt geen rechtsmiddel tegen een aanwijzing aan de niet met gezag belaste ouder. De wetgever maakt een duidelijk onderscheid tussen de ouder met gezag en zonder gezag. De toegang tot de rechter voor de ouder zonder gezag is voldoende gewaarborgd via art. 1:377a BW.

De kinderrechter concludeerde dat het verzoek niet-ontvankelijk is en dat er geen strijdigheid is met de artikelen 6 en 8 EVRM. De beschikking werd uitgesproken in aanwezigheid van de griffier en is openbaar. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak, via de griffie van het gerechtshof Arnhem.

Uitkomst: Verzoeker, de vader zonder gezag, is niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing.

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM
Sector Familie en Jeugd
Zaakgegevens: [nummer]
Datum uitspraak:
beschikking van de kinderrechter van 27 april 2009
in de zaak van
[naam], (verder ook te noemen de vader),
wonende te [plaats],
verzoeker,
advocaat mr D. Kotterman te Arnhem,
tegen het Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering (verder te noemen LJ&R),
gevestigd te Zutphen.
Het procesverloop
Gezien de stukken, waaronder:
- het op 25 februari 2009 ingediende verzoekschrift met bijlagen;
- een faxbericht d.d. 8 april 2009 van mr. D. Kotterman.
Gehoord ter terechtzitting van 7 april 2009:
- mevrouw [naam],
- de heer [naam], bijgestaan door mr. D. Kotterman,
- een vertegenwoordig(st)er van LJ&R.
Mr. D. Kotterman is naar aanleiding van de mondelinge behandeling van 7 april 2009 door de kinderrechter in de gelegenheid gesteld zich nader uit te laten over de vraag of de vader ontvankelijk is in zijn verzoek. Bij faxbericht van 8 april 2009 heeft hij zich nader hierover uitgelaten. LJ&R heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om binnen een termijn van tien dagen hierop schriftelijk te reageren.
De feiten
De minderjarigen:
1. [naam], geboren op [datum] te [plaats],
2. [naam], geboren op [datum] te [plaats],
zijn onder toezicht gesteld van de Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland die de uitvoering daarvan heeft opgedragen aan het Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering.
Bij beschikking van de kinderrechter van 17 februari 2009 is de termijn van de ondertoezichtstelling van de hiervoor genoemde minderjarigen met een jaar verlengd, met ingang van 23 februari 2009. Tevens is de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen in een verblijf accommodatie zorgaanbieder 24-uurs verlengd tot uiterlijk 23 februari 2010.
De moeder, [naam], is alleen belast met de uitoefening van het gezag over de minderjarigen. Verzoeker heeft de minderjarigen erkend.
Op 9 februari 2009 heeft LJ&R aan verzoeker een schriftelijke aanwijzing gegeven, aan hem overhandigd op 12 februari 2009, inhoudende onder meer continuering van het stopzetten van de omgangsregeling en de belafspraken tussen de vader en de minderjarigen voor de duur van zes maanden.
Het verzoek
Namens de vader wordt verzocht de schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren en te bepalen dat hij recht heeft op (hervatting van de) omgang met de minderjarigen van een keer per maand gedurende een uur.
De vader stelt dat hij in zijn verzoek dient te worden ontvangen, omdat uit de jurisprudentie volgt, dat nu er tussen de vader en de minderjarigen sprake is van family life, hij op grond van art. 8 lid 1 EVRM Pro bescherming geniet van zijn recht op the exercise of parental rights, welk recht tevens te beschouwen is als een burgerlijk recht in de zin van art. 6 lid 1 EVRM Pro. Laatstgenoemd artikel garandeert verzoeker toegang tot de rechter ter vaststelling van zijn burgerlijke rechten, waaronder zijn uit art. 8 lid 1 EVRM Pro voortvloeiende aanspraak. Verzoeker heeft een aanwijzing gekregen en heeft eerdere aanwijzingen opgevolgd. Gelet op de specifieke omstandigheden in deze zaak vormt art. 1:259 BW Pro jo. art. 1:258 BW Pro een ongeoorloofde beperking op het aan verzoeker door art. 6 lid 1 EVRM Pro gegarandeerde recht op toegang tot de rechter ter vaststelling van zijn aan art. 8 lid 1 EVRM Pro ontleende aanspraak op bescherming van zijn recht op ‘the exercise of parental rights’, die op grond van art. 94 Grondwet Pro buiten toepassing dient te blijven.
Motivering van de beslissing
Ingevolge art. 1:263a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg, voor zover noodzakelijk met het oog op het doel van de uithuisplaatsing van een minderjarige als bedoeld in artikel 261, voor de duur van de uithuisplaatsing de contacten tussen de met het gezag belaste ouder en het kind beperken. Blijkens het tweede lid geldt de beslissing van de stichting als een aanwijzing. Artikel 1:259 is Pro van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de kinderrechter een zodanige regeling kan vaststellen als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Art. 1:259 lid 1 BW Pro bepaalt dat de kinderrechter op verzoek van de met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaren of ouder een aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen kan verklaren.
Uit het voorgaande blijkt dat de wetgever een duidelijk onderscheid heeft gemaakt tussen de ouder en de niet met het gezag belaste ouder. Een aanwijzing kan zich niet richten tot de niet met het gezag belaste ouder en deze kan daartegen ook niet opkomen op grond van art. 1:259 lid 1 BW Pro. De ouder zonder gezag kan zich conform art. 1:377a BW tot de rechtbank wenden met het verzoek een omgangsregeling tussen hem en de minderjarigen vast te stellen. Tegen die beslissing staan de gewone rechtsmiddelen open.
Gelet op deze bepalingen kan niet worden gezegd, dat de omstandigheid, dat voor de ouder zonder gezag niet de mogelijkheid openstaat om de kinderrechter te verzoeken een (ten onrechte tot hem gerichte) aanwijzing van de gezinsvoogd vervallen te verklaren, betekent, dat de toegang van de ouder zonder gezag tot de rechter om zijn recht op omgang te realiseren, niet voldoende is gewaarborgd. Van strijdigheid met de art. 6 en Pro 8 EVRM is geen sprake (vgl. Hof Leeuwarden 10-12-1997, FJR 1998 en HR 30-11-2001, NJ 2002, 462).
Beslissing
De kinderrechter:
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek.
Deze beschikking is gegeven door mr. I. de Waal-van Wessem, kinderrechter, in tegenwoordigheid van N. Bozdag als griffier en in het openbaar uitgesproken opIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof te Arnhem.