ECLI:NL:RBARN:2009:BI8741

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
20 mei 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
177684 / FA RK 08-12896
Instantie
Rechtbank Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:394 BWArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onderhoudsplicht vervalt na erkenning door juridische vader

De vrouw verzocht de rechtbank Arnhem om de man, als verwekker van twee minderjarige kinderen, te verplichten bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding. De kinderen zijn erkend door een andere man, de heer [ZZZ], die samen met de vrouw het gezag over de kinderen heeft en met wie een omgangsregeling geldt.

De rechtbank oordeelt dat op grond van artikel 1:394 van Pro het Burgerlijk Wetboek de onderhoudsplicht van de verwekker vervalt zodra de kinderen door een andere man zijn erkend. De vrouw stelde dat zowel de verwekker als de erkenner onderhoudsplichtig zouden zijn, maar dit wordt door de rechtbank verworpen. Ook is geen positieve verplichting uit artikel 8 EVRM Pro gebleken die een onderhoudsbijdrage van de verwekker zou rechtvaardigen.

Daarom verklaart de rechtbank de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek en compenseert de proceskosten zodanig dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het verzoek tot een bijdrage van €49 per kind per maand wordt afgewezen. De beschikking is gegeven door rechter-plaatsvervanger Y.H.M. Marijs en is in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2009.

Uitkomst: De vrouw wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot onderhoudsbijdrage van de verwekker, omdat diens onderhoudsplicht vervalt na erkenning door een andere man.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ARNHEM
Sector Familie en Jeugd
Zaakgegevens: 177684 / FA RK 08-12896
Datum uitspraak:
beschikking alimentatie
in de zaak van
[XXX] (nader te noemen: de vrouw),
wonende te [woonplaats],
advocaat: mr. A.H.J. Raaijmakers, te Culemborg,
tegen
[YYY] (nader te noemen: de man),
wonende te [woonplaats],
advocaat: mr. C.J. Looijen, te Zetten, gemeent Over-Betuwe.
Gezien de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift, ingekomen op 13 november 2008;
- het verweerschrift, ingekomen op 14 januari 2008;
- de brief met bijlage van 24 maart 2009, van mr. Looijen;
- het faxbericht van 17 april 2009, van mr. Raaijmakers.
Gehoord ter zitting met gesloten deuren van 27 april 2009:
- de man, bijgestaan door mr. Looijen;
- namens de – niet verschenen – vrouw, mr. Raaijmakers.
Overwegende
Uit de verbroken relatie van partijen zijn geboren de minderjarige kinderen:
- [kind1], geboren in de gemeente [A] op 26 november 1991, en
- [kind2], geboren in de gemeente [A] op 23 november 1994,
hierna te noemen: de minderjarigen, die hun hoofdverblijf bij de vrouw hebben.
De vrouw is gehuwd met de heer[ZZZ], die de minderjarigen op 26 februari 1999 heeft erkend. De vrouw en de heer [ZZZ] hebben gezamenlijk het gezag over de minderjarigen. Tussen de man de en de minderjarigen geldt een omgangsregeling.
De vrouw verzoekt de rechtbank bij beschikking te bepalen dat de man met ingang van
1 januari 2008 een bijdrage dient te leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen van € 49,-- per kind per maand. De vrouw stelt dat behoefte bestaat aan de verzochte bijdrage en voorts dat de man, die volgens de vrouw onderhoudsplichtig is, daarvoor voldoende draagkracht heeft.
De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd en concludeert tot afwijzing van het verzoek.
Motivering van de beslissing
De verwekker van een kind dat alleen een moeder heeft, is ingevolge artikel 1:394 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) als ware hij ouder verplicht tot het voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind, dan wel na het bereiken van de meerderjarigheid van het kind, tot het voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie. Nadien bestaat deze verplichting slechts in geval van behoeftigheid van het kind.
Als het kind door een ander wordt erkend, dan vervalt de onderhoudsplicht van de verwekker (NJ 1965, 340). Deze hoofdregel wordt doorbroken door de uit artikel 8 van Pro het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) voortvloeiende positieve verplichting om het kind aanspraak op levensonderhoud jegens zijn biologische vader toe te kennen, als tussen hen ‘family life’ bestaat. Die positieve verplichting doet zich in uitzonderlijke situaties voor, met name in het geval dat blijkt dat de juridische vader niet in staat is in het onderhoud van de minderjarige kinderen te voorzien, of dat zulks in rechte niet kan worden afgedwongen, dan wel dat van de moeder redelijkerwijs niet kan gevergd dat zij de juridische vader ter zake aanspreekt (NJ 1997, 119).
Uit het voorgaande volgt dat de onderhoudsplicht van de man als verwekker is komen te vervallen op het moment dat de heer [ZZZ] de minderjarigen heeft erkend, dus op 26 februari 1999. Anders dan namens de vrouw ter zitting is betoogd, biedt artikel 1:394 BW Pro geen grond voor het oordeel dat zowel de man (verwekker) als de heer [ZZZ] (juridische vader) – naast de vrouw – onderhoudsplichtig zijn jegens de minderjarigen. Nu de vrouw zich bovendien niet op het standpunt stelt dat van de vorenbedoelde uit artikel 8 van Pro het EVRM voortvloeiende positieve verplichting sprake is, en daarvan ook anderszins niet is gebleken, is de vrouw niet ontvankelijk in haar verzoek.
Nu deze procedure voortvloeit uit de verbroken relatie van partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd.
De beslissing
De rechtbank
1. verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek;
2. compenseert de proceskosten zodanig dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. Y.H.M. Marijs, rechter-plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van A.H. Homan als griffier en in het openbaar uitgesproken op
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof te Arnhem.