ECLI:NL:RBARN:2009:BI9834

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
9 april 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 08/4500
Instantie
Rechtbank Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30f AWRArt. 11 Wet algemene bepalingenArt. 8:67 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen vermindering heffingsrente bij bijzondere omstandigheden in voorlopige aanslag inkomstenbelasting

Eiser maakte bezwaar tegen de aan hem opgelegde voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2006, waarbij ook heffingsrente in rekening was gebracht. Eiser voerde aan dat het onrechtvaardig was heffingsrente te betalen vanwege verleend uitstel en dat het gehanteerde rentepercentage te hoog was in vergelijking met zijn spaarrente.

De rechtbank oordeelde dat de heffingsrente conform de wettelijke bepalingen was berekend en dat bijzondere omstandigheden zoals ziekte en overlijden van de echtgenote geen grond bieden voor vermindering van de heffingsrente. De regeling beoogt compensatie voor het tijdelijk renteverlies van de schatkist en is niet bedoeld als sanctie.

Verder wees de rechtbank erop dat eiser had kunnen verzoeken om een andere voorlopige aanslag om de rente te beperken, maar dit niet had gedaan. Ook een coulancebeslissing bij een andere cliënt bindt de Belastingdienst niet. De klacht over het rentepercentage richtte zich tegen de wet zelf en kon niet door de rechter worden beoordeeld.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en legde geen proceskostenveroordeling op. De uitspraak werd op 9 april 2009 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de heffingsrente bij de voorlopige aanslag inkomstenbelasting wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM
Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer
registratienummer: AWB 08/4500
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak ingevolge artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 9 april 2009
inzake
[X], wonende te [Z], eiser,
tegen
de inspecteur van de Belastingdienst[te P], verweerder.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 17 september 2008 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser voor het jaar 2006 opgelegde voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van
€ 89.212 (aanslagnummer [H61]).
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2009.
Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door [A]. Namens verweerder is verschenen mr.[B], bijgestaan door [C].
1. Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
2. Gronden
Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2006 een voorlopige aanslag IB/PVV opgelegd. Voorts heeft verweerder bij beschikking € 2.736 heffingsrente in rekening gebracht.
Aan de gemachtigde van eiser is – wegens de ziekte en het overlijden van de diens echtgenote en diens eigen ziekte – twee keer uitstel is verleend voor het indienen van de aangifte van eiser.
Eiser is van mening dat het onrechtvaardig is dat aan hem heffingsrente in rekening wordt gebracht als gevolg van het verleende uitstel. Eiser is het voorts niet eens met het door verweerder gehanteerde heffingsrentepercentage. Naar de mening van eiser is de in rekening gebrachte heffingsrente – in vergelijking met de rente die hij ontvangt op zijn spaar
rekening – te hoog.
Op grond van artikel 30f, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) wordt met betrekking tot onder meer de inkomstenbelasting heffingsrente berekend ingeval een voorlopige aanslag, een aanslag of een navorderingsaanslag wordt vastgesteld. Artikel 30f, derde lid, van de AWR bepaalt dat met betrekking tot de inkomstenbelasting heffingsrente wordt berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag na het midden van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag van dagtekening van het aanslagbiljet.
De strekking van de regeling van de heffingsrente is blijkens de wetsgeschiedenis dat het moment van de vaststelling van de belastingschuld zoveel mogelijk dient aan te sluiten bij het moment van ontstaan van de belastingschuld. Wanneer heffingsrente in rekening wordt gebracht heeft een belastingplichtige gedurende de periode waarover heffingsrente is berekend de mogelijkheid gehad om over dat geld rente te ontvangen bij een bank. Ter compensatie aan het tijdelijk gemis van rente door de schatkist wordt heffingsrente in rekening gebracht aan de belastingplichtige. Het in rekening brengen van heffingsrente is uitdrukkelijk niet bedoeld als sanctie.
Tussen partijen is niet in geschil dat de heffingsrente conform de wettelijke regels is berekend. Partijen verschillen van mening of de bijzondere omstandigheden van dit geval ertoe nopen de in rekening gebrachte heffingsrente te verminderen.
Hoezeer de rechtbank – gelet op alle relevante feiten en omstandigheden – begrip heeft voor het standpunt van eiser, is de rechtbank van oordeel dat voor deze zienswijze een feitelijke grondslag ontbreekt zodat deze omstandigheden niet aan de berekening van heffingrente in de weg staan. Eiser had de hoogte van de heffingsrente kunnen beperken door verweerder te verzoeken een andere voorlopige aanslag op te leggen. Dat eiser dit als gevolg van zijn drukke werkzaamheden heeft verzuimd komt voor zijn rekening en risico.
De omstandigheid dat bij één van de andere cliënten van de gemachtigde een andere eenheid van de Belastingdienst – kennelijk uit overwegingen van coulance – de heffingsrente met 50% heeft verminderd kan eiser evenmin baten. Verweerder kan immers niet worden gebonden aan met de wet strijdige toezeggingen van collega’s.
De wijze waarop het percentage van de heffingsrente wordt bepaald is opgenomen in het vijfde lid van artikel 30f van de AWR. De grief van eiser met betrekking tot het gehanteerde heffingsrentepercentage is daarmee gericht tegen de AWR als zodanig. Artikel 11 van Pro de Wet algemene bepalingen bepaalt dat de rechter volgens de wet moet rechtspreken en dat hij in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet mag beoordelen. Over deze grief kan de rechtbank zich dan ook niet uitlaten.
De rechtbank is derhalve van oordeel dat verweerder terecht € 2.736 heffingsrente in rekening heeft gebracht.
Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak is gedaan op 9 april 2009 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A.M.F. Geerling, rechter, in tegenwoordigheid van mr.drs. J.A. Vriezen, griffier.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.