ECLI:NL:RBARN:2009:BI9873
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling heffingsrente bij voorlopige aanslag inkomstenbelasting na uitstel betaling
Eiser heeft in 2007 aanmerkelijk belang aandelen geschonken, wat leidde tot een belastbaar vervreemdingsvoordeel van €8.347.525 en een verschuldigde inkomstenbelasting van €2.094.313. Eiser verzocht om uitstel van betaling en om het opleggen van een voorlopige aanslag. Verweerder legde op 5 januari 2008 een voorlopige aanslag op en bracht daarnaast €57.302 aan heffingsrente in rekening.
Eiser stelde dat de heffingsrente ten onrechte werd berekend, al dan niet beperkt tot 28 september 2007, de datum van het uitstelverzoek. De rechtbank maakte onderscheid tussen heffingsrente en invorderingsrente, waarbij het uitstel van betaling alleen invorderingsrente uitsluit. Heffingsrente wordt berekend vanaf het midden van het belastingtijdvak tot de dag van het aanslagbiljet.
De rechtbank oordeelde dat artikel 28, tweede lid, van de Invorderingswet 1990 niet uitsluit dat heffingsrente wordt berekend tijdens de periode van uitstel. De brief van 28 september 2007 was gericht aan de ontvanger en betrof een invorderingskwestie, waarop verweerder niet verplicht was te reageren. De voorlopige aanslag werd binnen een redelijke termijn opgelegd, waardoor de heffingsrente terecht over de periode 1 juli 2007 tot en met 5 januari 2008 is berekend.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd op 9 april 2009 door rechter Geerling in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de heffingsrente is terecht berekend over de periode 1 juli 2007 tot en met 5 januari 2008.