ECLI:NL:RBARN:2009:BJ3017
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen vrijstelling successierecht wegens ontbreken gemeenschappelijke huishouding tussen erfgenaam en erflater
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de aanslag successierecht opgelegd door de Belastingdienst na het overlijden van erflater, zijn oom. Eiser voerde aan dat hij en erflater een gemeenschappelijke huishouding voerden, waardoor hij aanspraak zou kunnen maken op een verhoogde vrijstelling voor meerrelaties volgens artikel 32, eerste lid, onder 4, letter e, van de Successiewet 1956.
De rechtbank stelde vast dat eiser en erflater geen gezamenlijk hoofdverblijf hadden en dat eiser niet voldoende aannemelijk had gemaakt dat er in financieel-economisch opzicht sprake was van een gemeenschappelijke huishouding. De woonlasten werden toegerekend aan de afzonderlijke maten in de maatschap en het feit dat er regelmatig samen werd gegeten en dat eiser zorg droeg voor erflater was onvoldoende om te spreken van een gemeenschappelijke huishouding.
Ook vond de rechtbank dat het ontbreken van een gemeenschappelijk hoofdverblijf zijn grond vond in de wens van eiser en erflater om zelfstandigheid te bewaren, mede gelet op de bouw van een aparte woning voor eiser en zijn gezin. Daarom wees de rechtbank het beroep af en verklaarde het ongegrond.
De rechtbank legde geen proceskostenveroordeling op en wees erop dat hoger beroep mogelijk is bij het gerechtshof Arnhem binnen zes weken na verzending van het vonnis.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard omdat geen sprake is van een gemeenschappelijke huishouding met erflater.