ECLI:NL:RBARN:2009:BJ8073

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
12 augustus 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
155557
Instantie
Rechtbank Arnhem
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot ongedaanmaking van verzekeringsregistraties bij Stichting CIS en ING Verzekeringen

In deze civiele procedure vordert Nationale-Nederlanden en gedaagden, bestaande uit een maatschap en twee natuurlijke personen, onder meer ongedaanmaking van registraties in verzekeringsdatabanken. De gedaagden stellen dat zij ten onrechte zijn geregistreerd bij Stichting CIS en ING Verzekeringen, hetgeen volgens hen onrechtmatig is.

De rechtbank heeft reeds een tussenvonnis gewezen en heeft nu vastgesteld dat Nationale-Nederlanden de registratie van de eerste gedaagde bij Stichting CIS en intern in het incidentenregister ongedaan heeft gemaakt. Hierdoor heeft de rechtbank het eerdere oordeel over doorhaling van de melding bij ING Verzekeringen herzien en dit onderdeel van de vordering afgewezen voor deze gedaagde.

Voor de tweede en derde gedaagde is onduidelijk of zij geregistreerd staan of dat eventuele registraties zijn verwijderd. Daarom verwijst de rechtbank de zaak terug naar de rol om Nationale-Nederlanden in de gelegenheid te stellen stukken te overleggen waaruit blijkt dat ook voor deze gedaagden de registraties zijn verwijderd of niet bestaan.

De verdere beslissing wordt aangehouden totdat hierover duidelijkheid is verkregen. De zaak wordt op 9 september 2009 opnieuw behandeld voor overlegging van de gevraagde stukken.

Uitkomst: De zaak wordt aangehouden en verwezen naar de rol voor overlegging van stukken over het ongedaan maken van registraties.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK ARNHEM
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 155557 / HA ZA 07-788
Vonnis van 12 augustus 2009
in de zaak van
de naamloze vennootschap
NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MIJ. N.V.,
gevestigd te 's-Gravenhage,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. S.E. Phoelich-Pontier te Den Haag,
tegen
1. de maatschap
[gedaagde] ACCOUNTANTS EN ADVISEURS,
gevestigd te [woonplaats],
2. [gedaagde],
wonende te [woonplaats],
3. [gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie,
advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem.
Partijen zullen hierna Nationale-Nederlanden, [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] genoemd worden. De gedaagden in conventie tevens eisers in reconventie zullen gezamenlijk ook [gedaagden] genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 29 april 2009
- de akte van Nationale-Nederlanden
- de antwoordakte van [gedaagden]
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
in conventie en in reconventie
2.1. De rechtbank volhardt, met inachtneming van hetgeen hierna zal worden overwogen, bij het vonnis van 29 april 2009, waarnaar zij verwijst.
voorts in reconventie
2.2. Nationale-Nederlanden heeft in het geding gebracht:
- een brief van 3 juni 2009 van de Stichting CIS
- een verklaring in de vorm van een e-mailbericht van 4 juni 2009 van haar medewerker de heer [betrokkene]
- een uitdraai van het Fraude- en Informatiesysteem Holland (FISH) met als printdatum 4 juni 2009.
2.3. Onder verwijzing naar die stukken stelt Nationale-Nederlanden dat zij de externe registratie van [gedaagde sub 1] in het register van de Stichting CIS én de interne registratie ongedaan heeft gemaakt. Tegen de inhoud van deze stukken en het daaromtrent door Nationale-Nederlanden gestelde hebben [gedaagden] niets ingebracht. Daaruit trekt de rechtbank de conclusie dat Nationale-Nederlanden bedoelde registraties daadwerkelijk ongedaan heeft gemaakt.
2.4. In r.ov. 2.12 van haar vonnis van 29 april 2009 heeft de rechtbank beslist dat de vordering Nationale-Nederlanden te veroordelen tot doorhaling van de melding bij ING Verzekeringen N.V. zal worden toegewezen. Nu, zoals hiervoor is overwogen, Nationale-Nederlanden de interne registratie inmiddels ongedaan heeft gemaakt, moet [gedaagde sub 1] geacht worden niet langer belang te hebben bij een veroordeling tot doorhaling. De rechtbank zal daarom terugkomen op de hiervoor bedoelde beslissing en dit onderdeel van de vordering alsnog afwijzen.
2.5. [gedaagden] hebben aangevoerd dat die in r.ov. 2.2 bedoelde stukken uitsluitend betrekking hebben op [gedaagde sub 1] en niet op [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] in privé, hoewel ook zij de vordering tot ongedaanmaking van de registraties hebben ingesteld.
2.6. Dat die stukken uitsluitend betrekking hebben op [gedaagde sub 1], is op zichzelf juist.
En omtrent de vordering overweegt de rechtbank het volgende. In hun conclusie van eis in reconventie hebben [gedaagden] gevorderd Nationale-Nederlanden te veroordelen “zorg te dragen voor doorhaling van de hiervoor bedoelde meldingen bij het CIS en ING Verzekeringen N.V.”, een en ander als in hun vordering omschreven. Daarmee verwijzen [gedaagden] naar punt 10.1 van die conclusie, luidende:
Uit het vorenstaande – hetgeen als in reconventie herhaald en ingelast dient te worden beschouwd – volgt, dat Nationale-Nederlanden ten onrechte met een beroep op artikel 2.1.1 c.q. artikel 3.3 van de polisvoorwaarden de verzekering heeft beëindigd en in het verlengde daarvan [gedaagde sub 1] heeft doen vermelden in de databank van de Stichting CIS. Tevens is [gedaagde sub 1] opgenomen in de incidenten registratie van ING Verzekeringen N.V. Nationale-Nederlanden was daar in de gegeven omstandigheden niet toe gerechtigd en heeft aldus wanprestatie jegens [gedaagde sub 1] gepleegd c.q. onrechtmatig jegens haar gehandeld. De schade die [gedaagde sub 1] als gevolg hiervan heeft geleden dient Nationale-Nederlanden te vergoeden, alsmede dient Nationale-Nederlanden de beide meldingen ongedaan te maken.
Die vordering van [gedaagden] tot ongedaanmaking van de registratie had dus inderdaad betrekking op hen drieën, [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3]. Aanvankelijk heeft de rechtbank de vordering ook als zodanig opgevat. Later, in het bijzonder in het tussenvonnis van 29 april 2009, heeft de rechtbank die vordering beperkter opgevat, namelijk als uitsluitend betrekking hebbende op de registratie van [gedaagde sub 1]. De rechtbank acht aannemelijk dat ook Nationale-Nederlanden de vordering in deze beperkte zin heeft opgevat.
2.7. De rechtbank zou de vordering tot ongedaanmaking van de registraties ten aanzien van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] kunnen toewijzen, voor zover zij althans staan geregistreerd. Omtrent dat laatste bestaat immers geen duidelijkheid. Nu het debat tussen partijen zich heeft ontwikkeld in de richting van de vraag of eventuele registraties ongedaan zijn gemaakt, geeft de rechtbank er de voorkeur aan de zaak opnieuw naar de rol verwijzen teneinde daarover duidelijkheid te verkrijgen. Nationale-Nederlanden zal in de gelegenheid worden gesteld stukken in het geding te brengen waaruit kan blijken dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] noch extern bij de Stichting CIS noch intern in het incidentenregister staan geregistreerd althans dat eventuele registraties ongedaan zijn gemaakt.
voorts in conventie en in reconventie
2.8. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
3. De beslissing
De rechtbank
in conventie
3.1. verwijst de zaak naar de rol van woensdag 9 september 2009 voor overlegging stukken door Nationale-Nederlanden als bedoeld in r.ov. 2.7,
in conventie en in reconventie
3.2. houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. O. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2009.