ECLI:NL:RBARN:2009:BJ8082

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
2 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
183699
Instantie
Rechtbank Arnhem
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 EEX-VerordeningArt. 5 lid 1 sub a EEX-VerordeningArt. 6 EEX-VerordeningArt. 1:14 Burgerlijk WetboekArt. 107 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheidsincident rechtbank Arnhem inzake Dennenbos en andere gedaagden

In deze zaak stond een bevoegdheidsincident centraal waarbij Dennenbos O.G. Beheer B.V. en andere gedaagden stelden dat de rechtbank Arnhem niet bevoegd was om kennis te nemen van de vorderingen. Dennenbos betoogde primair dat de Belgische rechter bevoegd was voor de vorderingen jegens de andere gedaagden en dat er geen nauwe band bestond tussen deze en de vordering jegens Dennenbos. Subsidiair werd aangevoerd dat de rechtbank Breda bevoegd zou zijn in plaats van Arnhem, omdat de vorderingen betrekking hadden op een periode vóór het openen van het kantoor in Kerkdriel.

De rechtbank overwoog dat volgens artikel 2 van Pro de EEX-Verordening de Nederlandse rechter bevoegd is voor de vordering jegens Dennenbos, aangezien deze haar woonplaats in Nederland heeft. Op grond van artikel 6 EEX Pro-Verordening is de Nederlandse rechter ook bevoegd voor de andere gedaagden vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen, die hetzelfde feitencomplex en rechtsgrondslag delen. Daarnaast werd vastgesteld dat Dennenbos kantoor houdt in Kerkdriel, wat binnen het arrondissement Arnhem valt, en dat dit kantoor mede als woonplaats geldt volgens artikel 1:14 BW Pro.

De rechtbank verwierp de stellingen van Dennenbos c.s. en wees het gevorderde in het incident af. De zaak zal op 14 oktober 2009 worden voortgezet voor de conclusie van antwoord. De beslissing over de kosten van het incident werd aangehouden tot de hoofdzaak is beslist.

Uitkomst: De rechtbank Arnhem verklaart zich bevoegd en wijst het gevorderde in het bevoegdheidsincident af.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK ARNHEM
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 183699 / HA ZA 09-674
Vonnis in incident van 2 september 2009
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats], België,
eiser in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat mr. M.M. de Jong te Goirle,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DENNENBOS O.G. BEHEER B.V.,
gevestigd te Goirle,
2. [gedaagde],
wonende te [woonplaats], België,
3. ANITA DOROTHEA CORNELIA JOHANNA MARIA GEERTMAN-BIEKENS,
wonende te [woonplaats], België,
gedaagden in de hoofdzaak,
eisers in het incident,
advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem.
Eiser zal hierna [eiser] en gedaagden zullen tezamen Dennenbos c.s. dan wel afzonderlijk Dennenbos, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring
- de incidentele conclusie van antwoord.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. De beoordeling in het incident
2.1. Dennenbos c.s. vorderen dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. Primair hebben zij het volgende gesteld. Ingevolge het bepaalde in de artikelen 2 en 5 lid 1 sub a EEX-Verordening komt wat betreft [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] rechtmacht toe aan de Belgische rechter. Volgens Dennenbos c.s. is er geen sprake van een zo nauwe band met de vordering jegens Dennenbos, die woonplaats heeft in Nederland en ten aanzien van wie de Nederlandse rechter bevoegd is, dat een goede rechtsbedeling vraagt om een gelijktijdige behandeling.
Subsidiair hebben Dennenbos c.s. gesteld dat niet de rechtbank Arnhem maar de rechtbank Breda bevoegd is van het geschil kennis te nemen. Volgens Dennenbos ziet het geschil niet op een aangelegenheid die haar kantoor in Kerkdriel betreft aangezien de vorderingen betrekking hebben op aangelegenheden die zijn gelegen in een periode ruimschoots voor de opening van dit kantoor.
2.2. [eiser] voert verweer. Met betrekking tot de primaire stelling merkt hij op dat er wel degelijk voldoende samenhang bestaat tussen de vorderingen die tegen de verschillende partijen zijn ingesteld.
Met betrekking tot de subsidaire stelling brengt [eiser] naar voren dat, nu in de onderhavige kwestie sprake is van kantoor houden in Kerkdriel, daarmee gegeven is dat de rechtbank Arnhem bevoegd is van het geschil kennis te nemen. Niet is vereist dat de aangelegenheid waarop de dagvaarding betrekking heeft is aangevangen op het moment dat Dennenbos kantoor hield in Kerkdriel.
2.3. Thans ligt eerst de vraag voor of de Nederlandse rechter rechtmacht toekomt.
2.4. Voorop staat dat, gelet op de woonplaats van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] en de aard van het onderhavige geschil, de bevoegdheidsregeling van de EEX-Verordening toepasselijk is.
2.5. Volgens de hoofdregel van artikel 2 EEX Pro-Verordening is de Nederlandse rechter bevoegd om in elk geval van de vordering jegens Dennenbos kennis te nemen nu Dennenbos haar woonplaats heeft in Nederland.
Gelet op het bepaalde in artikel 6 EEX Pro-Verordening is de Nederlandse rechter dan ook bevoegd om van de vorderingen jegens de andere gedaagden kennis te nemen. Aan de vorderingen ligt hetzelfde feitencomplex ten grondslag en de vorderingen berusten op dezelfde rechtsgrond. Dat brengt mee dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting. Er moet immers worden voorkomen dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven.
2.6. Het voorgaande brengt mee dat de primaire stelling van Dennenbos c.s. dient te worden verworpen.
2.7. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of deze rechtbank bevoegd is van het geschil kennis te nemen.
2.8. Voor het antwoord op die vraag is het van belang om vast te stellen of één der gedaagden woonplaats heeft in dit arrondissement. Indien dat het geval is, is deze rechtbank ook ten aanzien van de andere gedaagden bevoegd zoals volgt uit artikel 107 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in samenhang met hetgeen hiervoor reeds is overwogen over de nauwe verbondenheid van de vorderingen.
2.9. Tussen partijen is niet in geschil dat Dennenbos kantoor houdt in Kerkdriel en die plaats valt binnen dit arrondissement. Ingevolge artikel 1:14 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) heeft een rechtspersoon die kantoor houdt, ten aanzien van aangelegenheden die dit kantoor betreffen mede aldaar woonplaats. Niet is gesteld en er is niet gebleken dat Dennenbos ergens anders dan in Kerkdriel haar feitelijke werkzaamheden verricht. Dennenbos c.s. hebben alleen aangevoerd dat de vordering is gebaseerd op feiten en omstandigheden uit 2003 terwijl Dennenbos pas sinds 1 januari 2008 kantoor houdt te Kerkdriel. Dennenbos c.s. zien er daarbij echter aan voorbij dat artikel 1:14 BW Pro niet als voorwaarde stelt dat de rechtspersoon het kantoor ook reeds moet hebben gehouden in de periode waarin de handelingen hebben plaatsgevonden die aan de vordering ten grondslag liggen. Met [eiser] kan worden aangenomen dat dit ook tot onwerkbare situaties zou leiden nu niet altijd duidelijk is, en ook niet uit altijd het Handelsregister kan worden afgeleid, wanneer een vennootschap op welk adres kantoor houdt. Een en ander leidt tot de conclusie dat er vanuit kan worden gegaan dat Dennenbos, gelet op het bepaalde in artikel 1:14 BW Pro, mede haar woonplaats heeft in Kerkdriel en dat deze rechtbank bevoegd is om van de vordering jegens Dennenbos kennis te nemen.
Zoals hiervoor reeds is aangegeven strekt die bevoegdheid zich mede uit jegens de andere gedaagden.
De secundaire stelling van Dennenbos c.s. dient dan ook te worden verworpen.
2.10. Het voorgaande brengt mee dat de vorderingen in het incident worden afgewezen.
2.11. De rechtbank zal de beslissing omtrent de kosten van het incident aanhouden, totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.
3. De beslissing
De rechtbank
in het incident
3.1. wijst het gevorderde af,
3.2. houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan,
in de hoofdzaak
3.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 14 oktober 2009 voor conclusie van antwoord.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.T. Boks en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2009.