ECLI:NL:RBARN:2009:BJ9149
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- E.A.A.M. Pfeil
- A.M. van Gorp
- J.A.P. Bakker
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdverklaring rechtbank Rotterdam wegens eerdere vervolging bij rechtbank Arnhem
In deze strafzaak heeft de rechtbank Rotterdam, zitting houdende te Arnhem, geoordeeld dat zij onbevoegd is om kennis te nemen van de zaak tegen verdachte. De vervolging is immers aangevangen bij de rechtbank Arnhem door het indienen van de vordering tot inbewaringstelling bij de rechter-commissaris aldaar. Dit betekent dat de rechtbank Arnhem bevoegd is en de vervolging daar dient te worden voortgezet.
De verdediging voerde een preliminair verweer over de bevoegdheid van de rechtbank Rotterdam, stellende dat de vervolging bij de rechtbank Arnhem is gestart en dat de rechtbank Rotterdam zich daarom onbevoegd moet verklaren. De officier van justitie stelde daartegenover dat de bevoegdheid moet worden beoordeeld op het moment van dagvaarding, en dat de rechtbank Rotterdam bevoegd is omdat zij de vervolging voert namens het Landelijk Parket.
De rechtbank oordeelde dat het eerste moment van vervolging het indienen van de vordering tot inbewaringstelling is, en dat dit bij de rechtbank Arnhem heeft plaatsgevonden. Daarom is de rechtbank Rotterdam onbevoegd. De voorlopige hechtenis blijft echter zes dagen na onherroepelijkheid van deze beslissing van kracht, zodat het openbaar ministerie de zaak bij de bevoegde rechtbank kan voortzetten. Dit is in het algemeen belang gezien de ernst van de feiten.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd en bepaalt dat de voorlopige hechtenis zes dagen na onherroepelijkheid van de uitspraak blijft voortduren.