ECLI:NL:RBARN:2009:BK2819
Rechtbank Arnhem
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot voorzieningen inzake gezag minderjarige niet-ontvankelijk wegens lopende teruggeleidingsprocedure
De moeder vorderde in kort geding voorzieningen met betrekking tot de afgifte van haar minderjarige kind. De vader stelde dat de voorzieningenrechter zich onbevoegd moest verklaren vanwege een eerdere Amerikaanse rechterlijke uitspraak die reeds erkend en ten uitvoer gelegd kon worden. Tevens voerde hij aan dat er een teruggeleidingsprocedure aanhangig was, waardoor het spoedeisend belang ontbrak.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het kort geding een andere rechtsvraag betrof dan de gezagskwestie die in de Amerikaanse uitspraak was behandeld, en dat artikel 15 van Pro de Uitvoeringswet niet verplichtte tot aanhouding van de procedure. Echter, nu de moeder zelf een teruggeleidingsprocedure bij een Amerikaanse rechtbank had gestart, was zij geen belang meer toegedaan bij de voorzieningen in kort geding.
De voorzieningenrechter verklaarde de moeder daarom niet-ontvankelijk in haar vorderingen. Tevens werd overwogen dat de voorlopige voorzieningen uit het tussenvonnis van 29 mei 2009 slechts golden tot de aanhouding op 28 oktober 2009.
Uitkomst: De moeder werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen wegens het ontbreken van belang door een lopende teruggeleidingsprocedure.