ECLI:NL:RBARN:2009:BK3952
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsbeloning in voorperiode bij oprichting besloten vennootschap
Eiser, toekomstig directeur-grootaandeelhouder van een besloten vennootschap in oprichting, heeft gedurende de voorperiode van 1 juli tot 29 december 2005 werkzaamheden verricht zonder daarvoor een arbeidsbeloning te ontvangen. De inspecteur corrigeerde de aangifte inkomstenbelasting door een fictieve vergoeding van €33.000 als resultaat uit overige werkzaamheden aan te merken, gebaseerd op artikel 12a Wet LB 1964.
Eiser betoogde dat geen sprake was van een belastbaar resultaat omdat hij geen vergoeding ontving en verwees naar jurisprudentie waarin dergelijke niet-behaalde voordelen niet werden belast. De rechtbank oordeelde echter dat de huidige wetgeving, in tegenstelling tot de situatie in de genoemde arresten, wel toelaat een fictieve beloning in aanmerking te nemen. Het afzien van een arbeidsvergoeding wordt als onzakelijk beschouwd en moet worden genegeerd bij de winstbepaling.
Verder stelde eiser dat de fictieve beloning naar rato van de periode moest worden berekend en dat een doelmatigheidsmarge toegepast moest worden. De rechtbank verwierp deze argumenten, verwijzend naar de tekst van artikel 12a Wet LB 1964 en relevante jurisprudentie. De rechtbank concludeerde dat de door de inspecteur gehanteerde vergoeding zakelijk en redelijk is en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de correctie van de inkomstenbelastingaanslag wegens fictieve arbeidsbeloning in de voorperiode van de BV in oprichting wordt ongegrond verklaard.