ECLI:NL:RBARN:2009:BK4929
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking WWB-uitkering wegens onvoldoende bewijs gezamenlijke huishouding
De rechtbank Arnhem behandelde het beroep tegen de intrekking van de WWB-uitkering van eiseres over de periode van 4 maart 2003 tot 21 augustus 2008. Verweerder had het recht op bijstand ingetrokken op grond van het vermoeden dat eiseres en eiser een gezamenlijke huishouding voerden, wat eiseres niet had gemeld. Tevens werd de ten onrechte verstrekte bijstand teruggevorderd.
De rechtbank oordeelde dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding alleen geldt indien partijen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben. Uit het onderzoek, bestaande uit huisbezoeken, observaties en getuigenverklaringen, bleek onvoldoende feitelijke grondslag dat eiser zijn hoofdverblijf bij eiseres had. De waarnemingen en verklaringen waren onvoldoende specifiek en konden niet onomstotelijk leiden tot de conclusie van samenwoning.
De rechtbank stelde vast dat verweerder niet binnen de wettelijke termijn op het bezwaar had beslist, waardoor het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk werd verklaard. De intrekking van de uitkering en de terugvordering werden vernietigd. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten van eisers. Verweerder moet een nieuwe beslissing op bezwaar nemen, waarbij ook over de kostenvergoeding dient te worden beslist.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de intrekking van de WWB-uitkering wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijke huishouding en veroordeelt verweerder tot vergoeding van proceskosten.