ECLI:NL:RBARN:2009:BK7904
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling dwingende bewijskracht onderhandse akte geldlening en stuiting verjaring
In deze civiele procedure vordert eiser betaling van een geldlening van DM 60.000,- met rente van 4% per jaar, vastgelegd in een onderhandse akte van 15 juli 1988, ondertekend door gedaagde. Gedaagde betwist de ontvangst van de lening en voert aan dat de akte geen dwingende bewijskracht heeft vanwege het ontbreken van een goedschrift. De rechtbank oordeelt dat de akte wel dwingend bewijs oplevert omdat gedaagde de lening in de uitoefening van zijn autobedrijf is aangegaan, waardoor de uitzondering in art. 158 lid 1 Rv Pro niet van toepassing is.
Daarnaast stelt eiser dat de vordering niet is verjaard omdat de verjaring is gestuit door aanmaningsbrieven van 27 maart en 27 mei 2008, die door de secretaresse van gedaagde zijn ontvangen en doorgezonden aan diens advocaat. De rechtbank wijst het verweer van gedaagde af dat deze ontvangst hem niet kan worden toegerekend, gelet op zijn postverwerking en het bepaalde in art. 3:37 BW Pro.
De rechtbank laat gedaagde toe tegenbewijs te leveren en bepaalt een datum voor getuigenverhoor. Alle verdere beslissing wordt aangehouden totdat dit bewijs is geleverd. De procedure wordt voortgezet met het oog op nader bewijs en mogelijke mondelinge behandeling.
Uitkomst: De rechtbank kent dwingende bewijskracht toe aan de akte en laat gedaagde toe tegenbewijs te leveren; verdere beslissing wordt aangehouden.